Het is een hachelijke onderneming om op deze dag de gedachten te leiden naar de heiligen, die het christendom heeft voortgebracht. Eerbetoon aan de mensen die ons voor gingen, dat wel, maar bij heiligen denken jonge mensen al gauw aan duffe figuren uit een grijs verleden en ouderen zullen misschien met een zeker heimwee denken aan grote persoonlijkheden, die er vroeger waren, maar die er niet meer zijn.
Zeker, er zijn niet zoveel heiligen als er christenen zijn. Allerzielen die zijn er meer. Maar ze zijn er nog: mensen uit het verleden en het heden, waardoor anderen geïnspireerd worden. Zijn die heiligen dan zo veel anders dan die zielen?
De vraag: wat heiligen eigenlijk zijn doet me denken aan een verhaal uit het sprookje van “de kleine prins”. Hij gaat op zoek naar een planeet waarop het goed is om er te leven. Op de eerste planeet vindt hij alleen een koning. Die is verheugd dat de kleine prins er komt, want hij denkt: ”Nu heb ik tenminste een onderdaan aan wie ik bevelen kan geven”. Maar de kleine prins gaat verder.
Op de volgende planeet vindt hij een zakenman. De zakenman heeft het echter te druk en is alleen blij dat hij even kan zeggen dat hij het druk heeft. Op een andere planeet is er alleen een dronkenman. Daar heeft hij ook niet aan, want die bedrinkt zich voortdurend om te vergeten dat hij een dronkenman is. Na nog wat omzwervingen komt de kleine prins tenslotte op een planeet, waar hij een man vindt, die bezig is een grote lantaarn aan te steken en als hij uitgaat om hem onmiddellijk weer aan te maken. “Waarom doe je dat?” vraagt de kleine prins. “Ik doe dat” zegt de man, opdat het op de aarde telkens donker en weer licht wordt, het is wel vermoeiend om het zo vlug te doen, maar we worden tegenwoordig allemaal opgejaagd. “Maar waarom blijf je het doen?” vraagt de kleine prins. “Ik heb een opdracht en daarom doe ik het en ik ben er gelukkig mee”. Dan denkt de kleine prins: ”Hier blijf ik, want hij is de enige die niet aan zichzelf denkt, maar alleen aan de anderen en hij is de enige die gelukkig is”.
Gelukkig dat er meer van zulke mensen zijn: Het zijn de mensen, in wie Gods goedheid een kans krijgt, zij zorgen ervoor dat Gods licht kan schijnen en dat zijn liefde warmte kan geven. De zaligsprekingen uit het evangelie gaan juist over mensen, die niet vol zijn van zichzelf, niet vol zucht naar rijkdom of macht. Christus prijst de mensen, die onvoldaan verlangen naar andere zaken. Het zijn de mensen, die hun eigen leegte voelen en die zoeken naar iets hogers, wat er nog niet is maar wat er komen kan. Ook de wereld van vandaag heeft haar heiligen: in de mensen die zonder ophef werken aan elkaars geluk, in de gewone vaders en moeders, die hun plicht doen wat het ook kost. In de jonge mensen die niet ontgoocheld aan het lijntje gaan staan om te zien wat er van komt. De wereld heeft haar heiligen in de vechters voor vrijheid en recht, mensen voor wie niets te veel is, zelfs al moeten ze hun ideaal betalen met hun leven.
We laten even in het midden of ze bij Allerheiligen of Allerzielen horen. Ze zijn niet bekend, de heiligen van vandaag. Ze weten ook zelf niet of behalve ziel ook heilig zijn. Maar Gods werk gaat door. Zij ontsteken telkens weer de lantaarn, zodat Gods licht blijft schijnen. We vieren de feesten van Allerheiligen en Allerzielen, van al die bekenden en onbekenden, door wie God vaste voet op deze aarde heeft gekregen.
En tot hen kunnen ook wij behoren, als we veel kunnen geven en ons willen inzetten voor de ander, voor rechtvaardigheid en recht. God is liefde. Waar wij liefde brengen, daar is God zelf met ons als degenen die het licht bedienen.