- Het Allerheiligenfeest gaat terug naar de 4de eeuw als herdenking van de oudste martelaren, de eerste vruchten van Gods Geest. Daarom werd het feest toen gevierd op de eerste zondag na Pinksteren. In de 610 werd het feest geplaatst op 13 mei: op die dag werden een reuzenaantal heiligenrelieken overgebracht naar het vroegere Pantheon, gewijd tot kerk van de Moeder Gods.
\ - In de 9de eeuw werd het feest definitief verschoven naar 1 november, ter vervanging van het Keltische dodenfeest “Samhain”. De doden konden zich als spoken manifesteren maar werden door de druïden ritueel bezworen. Naar dit oude heidense gebruik gaat het huidige commerciële “Halloween” terug, vervorming van de christelijke naam “All Hallow evening”: Allerheiligenavond.
\
- Allerheiligen is het feest van onze voltooiing, hoogfeest van onze hoop en toekomstverwachting. Het maakt ons bewust van onze eindbestemming. De heiligen zijn waar wij nog mogen komen. De bekeerling A. Frossard schreef vanuit zijn mystieke ervaring het boek: “Er is een andere wereld.”
\
- Toen we anno 2000 met een groep pelgrims in Jeruzalem de kerk bezochten van de Melkieten, wees ons de aartsbisschop Lufti Laham naar de koepel beschilderd met een stoet van heiligen en engelen. En hij zei: “Onze liturgie beneden is enkel een deelname aan wat boven gebeurt”. Het wezenlijke is boven. Ze vormen een indrukwekkende schare, die niemand tellen kan. Er is communicatie tussen beide werelden. In onze kerken zien we heiligen in onze gebrandschilderde ramen. Zij worden zichtbaar wanneer ze het zonlicht binnenlaten. Ze geven God door. In de grote gemeenschap met Christus opgenomen brengen ze ons bij God. Maar ze spreken ook tot ons. Ze zeggen dat het leven zin heeft, dat wij eveneens tot heiligheid geroepen zijn, en dat heiligheid op talloze wijzen haalbaar is. De zeer vele zalig- en heiligverklaringen hebben juist deze betekenis.
\ - Zij waren mensen zoals wij. Ze hebben geleefd in een moeilijke wereld. Ze hebben zonde en bekering gekend. Ze hebben dezelfde vreugden en zorgen beleefd. Ze maakten successen en mislukkingen mee. Ze hebben vaak geleden, gestreden, getwijfeld en vertrouwd. Ze lieten zich uiteindelijk niet leiden door de publieke opinie, maar ze werden een teken, een uitdaging, voor de samenleving. Charles de Foucauld ging zijn leven delen met de Touarges; mother Teresa met de kleinsten van India, zoals Jean Vanier het vandaag weer doet men degenen van wie het leven gebroken of zinloos schijnt. Geleerd en gelouterd door het leven sloten ze allen aan bij de armen-naar-de-geest, die vandaag zalig worden geprezen. Ze stelden God centraal, en dat gaf hun rust.
\
- Ook wij zijn op weg in het duister. Alle oude culturen geloofden in het voortbestaan. Maar ons geloof zegt dat God als Vader ons opwacht en verwelkomt om voor altijd in zijn leven te delen.
\
- Velen rondom ons geloven het niet meer. Op onze rouwprentjes lezen we vaak mooie poëzie, maar nog weinig getuigenis van deze hoop. Dit geloof is niet tegen de wetenschap. Maar de eerste vijand is ons voorstellingsvermogen: onze beperkte zintuigen kunnen het niet plaatsen. “Geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord, en in geen mensenverstand is ooit opgekomen wat God bereid heeft voor wie Hem liefhebben.” (I Kor. 2,9) Het is zoals een kind in de moederschoot dat geen weet heeft van het leven erbuiten, of zoals de rups die niet beseft wat het leven als vlinder zal zijn. De andere vijand is ons materialisme. De engelse romanschrijver en essayist David Lodge beweert dat de grote crisis van het westen ligt in de afbuiging van het geloof in de andere wereld naar het geloof in deze wereld: het gezichtsveld is vernauwd; het is zoals met de vlooi in de plooi van de olifantshuid, die niet verder ziet dan de plooi waarin ze zich verbergt. De Franse letterkundige en Nobelprijswinnaar François Mauriac schreef dat, als het voortbestaan alleen maar vervat ligt in de herinnering van mensen, in onze prestaties of in het nageslacht, dit lachwekkend overkomt voor wie het ware nabestaan verwacht. De Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer bad rustig geknield, volgens het getuigenis van zijn kamparts, alvorens hij in 1945 de trappen besteeg van de galg. Het valt op dat iemand als Hugo Schiltz, vrije denker maar niet ongelovig vrijzinnig, bij zijn sterven zei tot zijn echtgenote: “Tot binnen kort.” De christen heeft oneindig veel toekomst: Gods toekomst. Het grote moet nog komen. Daarom is voor wie gelooft het sterven geen tragedie.
\ - Omstreeks 1400 verscheen het boekje “Ars moriendi”: de kunst om te sterven is de kunst om te leven. Sterven is de ervaring van Gods aanwezigheid. Hij is Liefde, en Hij vraagt ons: “gelijkt gij op Mij ?” Ons groot verdriet zal zijn, dat we niet genoeg zullen hebben bemind en vergeven. Alleen in de liefde kunnen we het aan in Gods leven te delen. Wij zullen niet helemaal klaar zijn. We moeten ook dan nog worden wat we eerst nog niet waren. Het is een bijzondere blijk van Gods goedheid dat Hij ons over de dood heen nog die noodzakelijke groei- en zuiveringskans biedt: het wordingsproces in de Liefde. Deze leer behoort tot de eeuwenoude wijsheid van de Kerk, en was een argument voor de protestantse rector van het Europacollege, prof. H. Brugman, om Rooms-katholiek te worden. Daarom bidden wij zinvol in het eucharistisch dankgebed: “Gedenk ook onze broeders en zusters die door de dood zijn heengegaan… Gedenk alle mensen die gestorven zijn en laat hen treden voor de luister van uw aanschijn.” Dat is het accent van de liturgie van morgen, Allerzielen, dat in de verlenging ligt van het Allerheiligenfeest, maar net ervan onderscheiden is.