Openbaring (7, 2-14), 1° brief van Johannes (3, 1-3) en Mattheüs- (5, 1-12).
Een vriendin van mij (mijn leeftijd, niet-gelovig) heeft een tijdje terug te horen gekregen dat zij lijdt aan de ziekte van Parkinson. Een rot-ziekte is dat: in de hersenen sterven bepaalde cellen af. Gevolg is onder andere dat de spieren niet meer ontspannen. Dat lijdt tot stijfheid. En dat doet pijn, een pijn die niet ophoudt. Genezen kan de ziekte niet. Hoogstens kan die enigzins vertraagd worden en kan de pijn bestreden worden. Maar bij die vriendin van mij slaan de middelen die daarvoor zouden moeten zorgen niet goed aan. U snapt, dierbare gasten en parochianen: ze wordt daar niet vrolijk van.
Iemand zíen lijden en opgezadeld te weten met een zo somber levensperspectief, dat doet óók pijn. Maar dat is dan zielepijn. Je zou iets voor hem of voor haar willen doen, maar wat kún je doen? Eigenlijk alleen maar: er zijn, voor hem of voor haar. Ondersteunend, hopelijk, aanwezig zijn. Maar wégnemen kun je die rot-ziekte niet. En jíj hebt het niet. Hij of zij wel. En dat is uiteraard een verschil als tussen dag en nacht. Voelen wat hij of zij voelt, lichamelijk en geestelijk, dat kun je niet. Je kunt alleen maar proberen je daarin in te leven - en soms lukt dat misschien een beetje. Ik denk: iemand die zoiets heeft moet zich er vaak érg eenzaam mee voelen, alleen op een eilandje. En: alsof je door een glazen wand van de rest van de mensen gescheiden bent. Zij hebben het druk. Ze ondernemen van alles, gaan wervelend rond. Maar jij, als zieke, bent de pineut. Jij hebt maar steeds, excusez le mot, die kut-pijn en je kijkt in dat zwarte gat van de aftakeling en wat daarna komt of: van wat daarna níet komt, want, hoe is dat als je niet gelooft dat er ná en naast het leven dat wij kennen nog een heel ander leven is, het eeuwige?
Mensen wat moet je ermee? Wat kun je ermee - als het met iemand van wie je houdt zó gesteld is?
Ik moet u zeggen: in het geval van die vriendin van mij heb ik laatst werkelijk de stoute schoenen aangetrokken. Ze was jarig. En wat kon ik haar geven? Aan welk cadeau zou ze werkelijk iets kunnen hebben?
Laatst slingerde hier in de kerk nog zo’n bidprentje rond van paus Johannes Paulus II. We hebben ze in stapels gehad. Maar ze zijn al een tijdlang volgens mij op. Maar ik vond er één, op de nieuwe pracht-tafel van de Open Kerk. Alsof de gestorven paus op subtiele wijze middels dat bidprentje om mijn aandacht vroeg en tot mij door wilde dringen.
Er ging mij een licht op. Ja, er ging mij werkelijk een licht op. En ik dacht: hebbes! Jij bent van mij. Immers, we weten: paus Johannes Paulus II leed aan de ziekte van Parkinson. Minstens de laatste twaalf jaar van zijn pontificaat, van zijn paus-zijn, heeft hij daaraan geleden. We zien hem nog zó voor ons, hoe moeizaam en stram hij zich voortbewoog, met opgezwollen hoofd, bij allerlei openluchtmissen. En we zien hem nog staan, op het eind van zijn leven, aan het venster van zijn kamer in de Gemelli-kliniek, nog éénmaal ons allen groetend, voordat hij naar het Vaticaan terug werd gebracht om te sterven. Paus Johannes Paulus de Tweede, Karol Wojtyla. Die vriendin van noemde hem altijd “Joop”. Popie-Jopie werd hij in Nederland genoemd sinds het niet erg gelukkig verlopen bezoek dat hij in 1985 aan ons land bracht. In het verlichte en zelfverzekerde Nederland werd in de media en in de publieke opinie vaak geen spaan van de paus heel gelaten. Want hij was zo behoudend vond men. Ik moet u bekennen, dierbare gasten en parochianen van deze Vredeskerk: vaak genoeg heb ook ík mijn partijtje meegeblazen in dat orkest van de kritiek op paus Johannes Paulus II. Ik had niet zoveel met hem moet ik u zeggen. Néderland had niet veel met hem. Een uiterst koele verhouding. Dat er mensen waren, en niet weinig, vooral buiten Nederland die er anders over dachten bleek wel bij de uitvaart van de paus. Vanuit de hele wereld stroomden er mensen naar Rome toe om afscheid van hem te nemen. En “santo subito”, “meteen heilig”, of: “heiligverkláren” werd er gescandeerd op het Sint-Pietersplein.
Was Johannes Paulus II een heilig mens? Ach ja, wat ís “heilig”. Welk beeld krijgen wij daarvan, van “heiligheid”, op basis van de verschillende schriftlezingen op dit hoogfeest van Allerheiligen?
In de eerste lezing, uit de Openbaring van Johannes, wordt gesproken over “vier engelen, aan wie macht gegeven was om schade toe te brengen aan land of zee”. Doe dat niet, “breng geen schade toe (…) voordat wij de dienstknechten van onze God met het zegel op hun voorhoofd getekend hebben.” In het licht van deze woorden, kun je “heiligen” karakteriseren als “onbeschadigde mensen”. Ze zijn intact, ze zijn heel gebleven temidden van alle stormen die mensen kunnen teisteren in hun leven. En dan, verderop in de tekst, dan klinkt daar de vraag: “Wie zijn dat in die witte kleren en waar komen zij vandaan?” “Dat zijn degenen die uit de grote verdrukking komen, die hun kleren hebben wit gewassen in het bloed van het lam.” Een merkwaardig antwoord. Bloed geeft toch juist vlékken, vlekken die er maar moeilijk uitgaan, uit een wit laken? Hoe zou een mens dan zijn of haar kleren kunnen witwassen “in het bloed van het lam?” Wie of wat is dat lam? Ja, dat gaat natuurlijk over Jezus en over Zijn dood aan het kruis. Als je met Jezus leeft, als je leeft zoals Hij, ja, als je Zijn leven leeft, dan kom je erdoor, dan red je het, ja dan wórd je gered, door Hem, door Jezus. Dan kom je uiteindelijk waar Hij is, in het Licht, voorbij de dood …
Vervolgens was er de psalm, vierentwintig, die we samen hebben gebeden. Ook daarin klonk een vraag: “Wie zal beklimmen de berg van de Heer, wie in zijn heiligdom staan?” Antwoord: “Die rein is van handen en zuiver van hart, zijn zinnen niet zet op wat kwaad is.”
Dan de tweede lezing uit de eerste brief van Johannes. Daar hoorden we: “(…) wat wij zullen zijn is nog niet verschenen; maar wij weten dat, wanneer Hij zal verschijnen, wij aan Hem gelijk zullen zijn; want wij zullen Hem zien zoals Hij is. Wie dit van Hem verwacht, maakt zich rein, zoals Jezus rein is.” Opnieuw dus: als je op Hem, op Jezus, durft te vertrouwen, dan wordt je bestaan verhelderd, ópgehelderd. Dan word je van lieverlede licht en wit, zoals Hij, Jezus, het is.
Tenslotte: het evangelie, de bergrede - die een soort geloofsbelijdenis is van Jezus, van God, in verband met de mens. In die bergrede wordt een bepaald soort mens geschilderd, de mens in wie Jezus, in wie Gód, gelóóft, een mens: “arm van geest”, heel simpel, heel eenvoudig, niet ingewikkeld, eerlijk, transparant denk ik, een niet-dubbelzinnig mens, een mens uit één stuk; “gelukkig die verdriet hebben, want zij zullen getroost worden”, mensen die het verdriet durven toelaten en ruimte durven geven in hun leven, die er niet bang voor zijn; “zachtmoedig”, “hongerend en dorstend naar de gerechtigheid”, “barmhartig”, “zuiver van hart”, vrede-brengend en mensen tenslotte die trouw zijn aan het evangelie, aan Jezus, óók als ze te maken krijgen met allerlei weerstanden, met vervolgingen zelfs. Wij kunnen daarover in ónze tijd binnen ónze samenleving zeker ook meepraten. Voor mensen die trachten hun geloof te behouden is het daarin wel érg tegen de wind ín fietsen, zeker ook als ze katholiek zijn. In de Metro, het gratis krantje dat je in de trein kunt lezen heeft Ton Broekhuizen het over “het inmiddels extreem lelijke eendje dat luistert naar de naam rooms-katholieke kerk”. En hij voorspelt dat het nog hoogstens een jaar zal duren “voordat het woord katholiek definitief tot scheldwoord is gedegradeerd."[1] Nou, steek maar weer in je zak. Maar vergeleken met onze geloofsgenoten in Irak mogen we nog van geluk spreken. Gisteravond zijn in de Syrisch-Katholieke kathedraal van Baghdad zeker 52 mensen vermoord. De priester ging er als eerste aan.
Aldus wordt in onze schriftlezingen op deze avond van Allerheiligen de heilige mens geschilderd. Was paus Johannes Paulus de Tweede in het licht van dit beeld een heilig mens? Ach ja, veelgeliefden, daar gaan wij niet over. Hij was zeker een grootheid, een kanjer. En er was veel liefde in hem, dat weet ik wel zeker, - ook al is die liefde van hem voor ons in Nederland misschien niet zo duidelijk geworden, ook al hebben we die in hem misschien niet zo duidelijk gezien. Waar ik hem in elk geval geweldig dankbaar voor ben, dat is dat hij mét die Parkinson dóór is gegaan, door is gestrómpeld mogen we wel zeggen tot het letterlijk bittere end. Hij heeft zich met zijn ziekte en met die ongetwijfeld geweldige pijn níet verborgen. Het licht van zijn geloof is in hem blijven branden en hij heeft het hóóggehouden (…). En dan ben je gewoon een vént. En dan ben je een prachtige bron van mogelijke inspiratie en van moed voor allerlei andere mensen in beroerde omstandigheden, misschien ook wel voor die ongelovige vriendin van mij. Wat ís geloven veelgeliefden? Wat is het geloof van de heiligen? Ik zou zeggen: geloven, dat is vertrouwen dat door alles héén gaat, door het vuur. Geloven dat is vertrouwen in God, in Jezus, dat zich door niets en door niemand laat tegenhouden en stoppen. Dat is geloven.
Ik heb die vriendin van mij voor haar verjaardag in een lijstje het bidprentje met het portret van Johannes Paulus de Tweede gegeven met daaronder de volgende tekst:
“Karol Wojtyla, paus Johannes Paulus II, ik noem(de) u altijd “Joop”, u die minstens twaalf jaar lang aan Parkinson hebt geleden, dezelfde ziekte waaraan ook ik lijd en waaraan ook mijn vader heeft geleden, u die in zulke omstandigheden bent doorgegaan met leiding geven aan de Rooms-Katholieke Kerk, al geloof ik zelf in principe niet in God en in de hemel, mijn vriend Pierre Valkering gelooft er wel in. Voor het geval hij gelijk heeft en niet ik wil ik u vragen om mij bij te staan en te helpen in mijn nood. Als u nog ergens bent, als u bij God bent, in de hemel, waar dan ook mijn vader is, vraag ik u: Wees dan mijn voorspraak bij God, help mij, dat ik verlichting, vermindering van pijn mag krijgen, dat ik gedeeltelijk of zelfs helemaal genezen mag, dat er een wonder mag gebeuren.
Tot zover de tekst onder het bidprentje. Schuin gedrukt heb ik er nog onder geschreven: Om hardop uit te spreken, bij grote nood, met zo groot mogelijke aandacht van hoofd en hart. Desnoods herhalen.
Dierbare gasten en parochianen, geloof ik dit? Geloof ik dat het kan helpen? Geloof ik dat paus Johannes Paulus II kan helpen? Geloof ik dat de heiligen ons kunnen helpen? Ach ja, “there are more things in heaven and earth, Horatio, than are dreamt of in your philosophy” - er zijn meer dingen in hemel en aarde, Horatius, dan waar jij met jouw rationele levensvisie van dromen kunt. Dat zegt Hamlet als hij contact krijgt met zijn reeds gestorven vader[2]. Die vader zit in elk geval in hem. En waarom zou hij niet ook nog “ergens” buiten hem kunnen zijn? In het licht van ons geloof mogen wij dat in elk geval geloven, dat de doden, de heiligen onder hen, maar ook de minder heiligen en zelfs de duidelijk onheiligen, dat die inderdaad nog “ergens zijn”. Hoor goed toe, zodadelijk als ik de prefatie zal zingen, als daar klinkt: “(…) vandaag vieren wij het feest van uw eigen Stad. Zij is onze moeder, het hemelse Jeruzalem. Daar klinkt al uit een kring van onze broeders en zusters in eeuwigheid uw lof”. Mogen wij het geloven, veelgeliefden. Mogen wij met een gerust hart in paus Johannes Paulus de Tweede, of in je eigen reeds gestorven goede vader of moeder en in alle heiligen ons vertrouwen stellen. De Kerk leert: ze staan klaar om ons te helpen, ze doen niets liever. Amen.