Bij een huisbezoek aan een bejaarde man vroeg ik hem: ‘Hoe gaat het met je?’ ‘Niet slecht,’ zei hij, ‘ik heb genoeg te eten en ik lijd geen kou.’ ‘Dus ben je gelukkig?’ vroeg ik hem. ‘Nee, dat ben ik niet,’ zei hij en hij begon te huilen. ‘Ik heb maar één zoon, en die komt me nooit bezoeken, ik sterf van eenzaamheid.'
Dat woord heeft me in de kersttijd dikwijls bezig gehouden: ik sterf van eenzaamheid! Brood en kleding hebben de mensen ge¬noeg, zij lijden geen kou, maar mensen hebben meer nodig. Zij sterven vaak van eenzaamheid, omdat ze contact met andere men¬sen, liefde en tederheid nodig hebben.
Het is voor mij heel duidelijk: het mooiste geschenk dat je mensen geven kunt, is je aanwezigheid. Elke mens heeft een dak boven zijn hoofd nodig, maar ook een dak boven zijn hart. Elke mens heeft een herberg nodig, een mens waarbij hij zich geborgen weet, een mens waarbij hij kan uitrusten, een mens die de tijd neemt om eens heel eenvoudig en rustig aanwezig te willen zijn.
Zeker, geschenken, brieven, telefoons, kunnen allemaal goed zijn, zij kunnen je blij maken, maar zij kunnen de plaats niet innemen van het aanwezig zijn. Het schijnt dat niemand weet wat alleen zijn betekent tenzij wie het zelf aan den lijve heeft moeten meema¬ken.
Pas geleden trouwde iemand van 75 jaar. Hij zei me: ‘Meneer pas-toor, u verwondert zich zeker dat ik op mijn leeftijd nog wil trou¬wen. Maar als je niemand hebt, die je ‘s morgens eens vriendelijk een goede dag wenst, die zegt: ik hou van je, ik kan je niet missen.., dan is het geen leven meer. Ik kan het niet meer dragen.’ Aan al deze dingen dacht ik bij het lezen van het evangelie van vandaag. Hij heeft midden onder ons gewoond!
In Jezus is God werkelijk midden onder ons komen wonen, is Hij ons menselijk bestaan komen delen. En het feit dat mij bijzonder treft is: dat God onder ons is komen wonen niet in heerlijkheid, in pracht en praal, maar op een heel menselijke, eenvoudige wijze. Dertig jaar lang heeft Jezus gewoond midden tussen de mensen. Hij had eigenlijk zelfs geen naam: de zoon van de timmerman noemde men Hem. Hij deed geen opvallende dingen. Hij was heel eenvoudig midden onder de mensen aanwezig, door lief en leed met hen te delen. Ik zou bijna zeggen: Hij was zijn tijd aan ‘t ver¬liezen door eenvoudig goed te zijn voor de mensen.
Wij vinden zo moeilijk tijd om ergens eens echt aanwezig te zijn. Wij lopen vlug ergens binnen, zeggen even goedendag en dan zijn we weer weg: geen tijd! Ik denk dat Jezus dat nooit gezegd heeft. Hij had tijd voor de Samaritaanse vrouw, toen Hij vermoeid bij de bron zat. Hij had tijd voor Nikodemus, die Hem in de nacht kwam opzoeken. Hij had tijd voor Zacheüs, bij wie Hij te gast wilde zijn.
Wat is die aanwezigheid midden onder ons toch eigenlijk een waardevol gebeuren! Omdat Hij ons liefheeft, wilde Hij midden onder ons wonen. Voor die mysterievolle aanwezigheid zou Jezus ons de ogen moeten openen, zoals Hij dat deed bij de leerlingen van Emmaüs, toen Hij met hen samen aan tafel was. Evenals die leerlingen zouden wij tijd moeten maken om naar zijn woord te luisteren, zodat ons hart brandend wordt.
Wij hoeven niet van eenzaamheid te sterven; als wij willen zien met de ogen van het geloof, dan zullen wij God ook in ons dage¬lijks leven ontmoeten. Wij zullen Hem ontmoeten in de goedheid van mensen, in de eenvoud van een kind, in de stilte van ons gebed.
Wij zullen Hem ontmoeten in elke zieke en lijdende mens, en Hij zal een beroep op ons doen, om door een goede daad zijn tegen-woordigheid aan de mensen in nood kenbaar te maken.
God woont nog altijd midden onder ons, want waar goedheid en liefde is, daar woont God. Ja, Hij woont zelfs in ons en door zijn Geest, die in onze harten is uitgestort, mogen wij roepen tot God: Vader!
Neen, wij hoeven niet te sterven van eenzaamheid, want God is altijd bij ons. Zo is toch zijn naam: Emmanuël, God met ons.