“Hoe zal het worden, 20..?” Je hoeft waarachtig geen helder-ziende te zijn om er iets over te kunnen zeggen. Want in 20.. zal het leven gewoon doorgaan. Vreugde zal er zijn en verdriet: ‘goede tijden, slechte tijden’. Blij zullen wij zijn om kinderen die worden geboren, bedroefd om dierbaren die sterven. Verbaasd zullen we blijven om de traagheid, waarmee de volkeren de weg gaan van vrede en welvaart voor alle mensen.
Een nieuw jaar ligt voor ons. Het heeft iets van een schone lei. Maar heel wat bladzijden van onze nieuwe agenda’s zijn al ingevuld. Het zal morgen niet zoveel anders zijn dan het gisteren was.
Nieuwjaarsdag. Een dag tussen gewone dagen. Toch is er blijkbaar een diepe behoefte om de jaarwisseling te vieren, het verglijden van de tijd. Misschien is die behoefte er juist omdat we beseffen dat ‘alles gewoon doorgaat’, dat het vandaag niet plotseling beter zal zijn. Omdat we wéten hoe kwetsbaar ons leven is, hoe broos ons geluk. Daarom hebben we vannacht lekker veel lawaai gemaakt: om onze angst voor het donker te overschreeuwen. En sinds het licht werd vanmorgen gaan we daarom naar alles en iedereen toe met ‘de beste wensen’. Vol van de herinnering aan wat was, kijken we naar een nieuw jaar. En dan is er reden genoeg om bang te zijn. Dan kan het nauwelijks anders of we hopen voor onszelf en onze dierbaren dat het voor ons goed zal gaan: ‘voorspoedig 20…..’
Hopen, dromen, wensen is de toonzetting van nieuwjaarsdag. En bidden. Dat heeft ons hier samengebracht : om al onze onzekerheid over een nieuw jaar, al ons verlangen naar geluk, biddend voor God te brengen.
Bidden op nieuwjaarsdag. Voor sommigen zal het moeilijk zijn. Er zijn er onder ons die wel willen bidden, maar het nauwelijks kunnen. Omdat ze zich herinneren hoe ze ook vorig jaar hier waren en vurig baden om heil en zegen. Maar het werd een jaar vol teleurstelling en verdriet. Er zijn er ook onder ons die bij ons bidden van vanmorgen onmiddellijk de vraag voelen bovenkomen of het wel mág: God vragen om geluk en voorspoed, terwijl wij mensen nog zo vaak falen in een beetje daadwerkelijke zorg voor elkaars welzijn en geluk.
Bidden op nieuwjaarsdag. Hoe doe je dat? Misschien was het zo gek nog niet van onze kerk om van 1 januari een Maria-feest te maken. In het evangelie van deze dag wordt van de Moeder des Heren gezegd dat ze ‘al deze woorden in haar hart bewaarde en overwoog’. Of, zoals de Groot Nieuws Bijbel vertaalt : ‘ze bewaarde al deze dingen in haar hart’. Al deze dingen. In de lijn van het Hebreeuwse aanvoelen verwijzen ‘de woorden’ hier niet louter naar wat gezegd werd, maar evenzeer naar het feitelijke gebeuren zelf. Lucas zegt : dat geheim van de Menswording, ‘alles wat er was gebeurd’ krijgt een plaats in Maria’s hart: zoals je een kostbaar moment of een dierbaar mens in je hart sluit. Maria zal het allemaal niet begrepen hebben, maar - schreef Guardini indertijd - ze nam het in zich op ‘zoals de aarde een zaadkorrel in zich opneemt, opdat deze in haar kan groeien’.
De dingen van het leven in je hart bewaren en overwegen. Dat is misschien niet het eerste dat bij ons boven komt wanneer het gaat over bidden. Als wij al tot gebed komen is het niet zelden vragen, smeken. En - natuurlijk - dat is een authentieke vorm van bidden: om met de psalmen vanuit je ellende, de profundis, tot God te schreeuwen waarom Hij je verlaten heeft. Toch, eerlijkheid gebiedt ook om toe te geven dat ons bidden dikwijls iets weg heeft van het zeuren van een kind, dat zijn zin wil krijgen : God moet ónze wil doen. En als aan onze verlangens niet wordt voldaan, ervaren we God als doof voor ons bidden, als de Afwezige.
Maar er is ook een andere ervaring. De ervaring van gelovige mensen, die ‘bij nader inzien’ moeten erkennen dat juist in de ellende, juist tijdens de barre tocht door de woestijn, God de dragende kracht was van hun leven. Zoals het gezegd wordt in het gedicht over de voetstappen in het zand, dat misschien wel juist daarom zo populair is. Op het zwaarste deel van het levenspad lijkt een mans alleen te moeten gaan, is er maar één paar stappen zichtbaar op het strand. “Heer, waarom dan toch?” En het antwoord: “Mijn lieve kind, toen ’t moeilijkst was, toen heb Ik jou gedragen.”
Telkens weer gebeurt met gelovige mensen wat aartsvader Jakob overkwam toen hij na zijn wonderlijke droom over een ladder, die hemel en aarde verbond, uitriep: God was hier en ik wist het niet. Als Jakob geen tijd had genomen ‘om te dromen’, had hij wellicht nooit ontdekt ‘dat God er was’.
Als wij lief en leed niet in ons hart bewaren en overwegen, hoe zal het dan kunnen uitgroeien tot het leven waarin Gods aanwezigheid ervaren wordt?
Inderdaad, Gods aanwezigheid wordt vaak pas achteraf ontdekt. En, vandaag, op nieuwjaarsdag, kijken wij liever vooruit: hoe zal het worden, 1996? Maar als we ook vandaag met Maria stil kunnen worden, met eerbiedige aandacht bij ‘al die dingen’, dan kunnen we vol vertrouwen en goede moed een nieuw jaar beginnen. Dan mogen we geloven dat Hij die er was, er ook zál zijn in 20.. .