4e zondag in de veertigdagentijd C

C-cyclus · Vasten · 4e zondag van de Vasten · roze

Er is een oosterse schrijver, Kahlil Gibran, wiens boekje ‘De profeet’ in de jaren zestig volop werd verkocht. Het staat vol wijze woorden die te denken geven. Aan ouders geeft hij de wijze raad: ‘Uw kinderen zijn uw kinderen niet. (…) Ze komen wel door u, maar zijn niet van u. (…) Ouders zijn als bogen; hun kinderen de pijlen die ze afschieten’.

Inderdaad, ouders kunnen richting wijzen, maar vroeg of laat gaan kinderen hun eigen en soms eigenwijze weg.

Jezus vertelt ons vandaag over zo iemand. De jongste zoon vraagt aan zijn vader zijn erfdeel, pakt alles bij elkaar, en vertrekt naar een ver en vreemd land. Zijn vader laat de jongen gaan. Hij laat zijn zoon los, maar zijn liefde blijft. En ook degene die thuis blijft is hem heel dierbaar: ‘Alles wat van mij is is ook van jou’, zegt hij tegen de oudste. Die oudste heeft nooit geprotesteerd, keurig zijn plicht gedaan, hard gewerkt. En hij heeft een heel goede band met zijn vader. Totdat hij ziet hoe zijn vader omgaat met de later weer naar huis gekomen jongste. Hij ziet ineens wat hij tekort gekomen is. Hij heeft zich niet vrij ‘gevochten’, altijd netjes gedaan wat er van hem verwacht werd. En zo is hij misschien wel nooit echt zichzelf geworden. Misschien had hij beter ook een tijdje weg kunnen gaan.

Want let wel: de jongste zoon zondigde niet doordat hij het ouderlijk huis verliet, maar doordat hij onderweg bezweek voor de vele verleidingen. Daardoor raakt hij aan lager wal, en verloor hij tussen de varkens zijn gevoel voor eigenwaarde.

Dat vond hij terug toen zijn vader hem ondanks alles toch weer in zijn armen sloot. Na door schade en schande wijzer te zijn geworden kreeg hij de kans om opnieuw te beginnen.

En dan is de andere zoon kwaad. Die vindt dat de jongste te veel eer krijgt, en dat hemzelf tekort wordt gedaan. Als er één een feest verdient, dan hij toch wel! En toch zeker niet die domme avonturier. En dus is hij kwaad op zijn vader. ‘Die zoon van jou’ zegt hij, en niet ‘mijn broer’. Die zoon van jou krijgt wat niet hij verdient, maar wat ik verdien.

Jezus vertelt deze parabel aan de farizeeën en Schriftgeleerden, die over Hem mopperen: ‘Die man ontvangt zondaars, en eet met hen’. In plaats van ons te respecteren - denken ze -, ons die altijd onze plicht hebben gedaan, legt Hij het aan met mensen die het niet verdienen.

De zelfingenomen schriftgeleerden lijken op de oudste zoon, en eigenlijk staat de oudste zoon voor alle mensen, die minder keurige mensen - zondaars en domoren, verdwaalde en verloren mensen, mislukkelingen - Gods liefde misgunnen, en het maar niks vinden dat God zo ruimhartig is.

Er zijn heel wat verloren, verdwaalde en ontheemde mensen, die domme dingen hebben gedaan, eigen en verkeerde wegen insloegen, en eigenlijk geen recht van spreken meer hebben, maar die toch hopen op begrip en vergeving, en die bidden om een nieuw begin. Al die mannen en vrouwen, oude en jonge mensen, zoeken naar barmhartige vaders, maar vinden heel dikwijls kleinzielige broers en zussen.

Zoeken in Preken Online