De parabel van de verloren zonen heeft tot meer discussie geleid dan welk ander verhaal van Jezus ook. Ze is geschilderd, getoonzet, gedramatiseerd, en op heel verschillende manieren becommentarieerd. Het is een verhaal dat praktisch iedereen onmiddellijk herkent, en dat volgens sommige commentatoren, zoals John A. Sanford - een anglicaanse priester en psychoanalyticus uit de school van Jung - grote gevolgen heeft. Iets daarvan wordt duidelijk in het volgende geval.
Hij was het volwassen kind van een alcoholistische vader. Hij was in een crisis en ging op retraite. Een dertigdaagse retraite. Een hele onderneming, en niets om mee te spotten. Hij kwam veranderd terug. Dat zei hij zelf. Hij wilde anderen van die verandering vertellen. Hij vertelde dat het verhaal van de verloren zoon hem de duw gegeven had die hij nodig had. Eigenlijk was het niet het verhaal alleen geweest. Hij had bij het mediteren op de geschiedenis van de verloren zoon een ets van Rembrandt gebruikt waarop de vader zijn verloren kind omhelsde. Hij vertelde hoe hij zich helemaal voelde als die jongeman. Plotseling had hij begrepen en aangevoeld dat God hem werkelijk lief had.
Terwijl hij dit alles aan het vertellen was, keek hij plotseling op alsof hij zojuist iets ontdekt had. Hij sprong bijna van zijn stoel omhoog. Hij zei dat hij ineens iets doorgekregen had, waar hij zelfs bij de retraite niet aan gedacht had. Hij begreep ineens dat het niet alleen die vader was, die zijn zoon vergaf. Die zoon had op dat ogenblik ook zichzelf vergeven. Hij had zijn schaduwzijde geaccepteerd. Hij besloot daar iets aan te doen, en hij was begonnen echt van zichzelf te houden, zoals hij was.
Bij zijn verhaal bediende hij zich niet van een Nederlandse tekst. Hij had de oude Engelse King James Vertaling, iets als onze Statenbijbel. In die Engelse vertaling wordt de jongste niet ‘de verloren zoon’ genoemd. Hij wordt de prodigal son genoemd, de verkwister. De vertaling zegt dan verder dat die verkwister te midden van de varkens en het afval dat ze aten, ‘tot zichzelf kwam’. De Willibrordvertaling leest: ‘toen kwam hij tot nadenken.’ Hij werd in de stank van varkensvoer en varkensmest met zichzelf geconfronteerd op een manier zoals dat van te voren nooit gebeurd was. Hij had geleefd als een luchtige feestvierder, als een vrolijke losbol. De schaduwzijde van dit alles was, dat hij het plichtsbesef en het verantwoordelijkheidsgevoel van zijn oudere broer miste. Hij zag dat in en besloot terug naar zijn vader te gaan.
Die vader had ook zijn oudere, plichtsgetrouwe en gehoorzame zoon: ‘Al zoveel jaren dien ik u, en nooit heb ik uw geboden overtreden. ‘ Ook die knaap had zijn schaduwzijde, maar het is voor iemand die van zichzelf denkt praktisch volmaakt te zijn veel moeilijker om dat toe te geven. Zijn vader prijst hem voor zijn trouwe oppassendheid, maar hij voegt er aan toe: ‘Maar er moet feest en vrolijkheid zijn!’ De oudere zoon diende zich te confronteren met zijn eenzijdigheid, met de schaduwzijde en de pretloosheid van zijn bestaan. Hij diende daar iets aan te doen om een gezond iemand te zijn.
De plichtsgetrouwheid van de oudere broer had bij hem ieder plezier naar zijn onderbewuste weggedrukt, terwijl de jongere broer zijn plichtsgevoel zijn onderbewuste ingejaagd had. In geen van de twee gevallen waren ze helemaal zichzelf. In beide gevallen kon het koninkrijk van God in hen niet beginnen. Zolang de twee broers tegen elkaar verdeeld zijn, zal de een de ander dwars zitten. Dat doen ze zelfs als die verdeling door henzelf loopt.
Vinden we de twee niet in onszelf? Ze zijn elkaars schaduwzijde in ieder van ons. Het is alleen als we ze beiden aanvaarden en in ons in evenwicht houden dat we integer, heel en gezond kunnen zijn. De jongere zoon zag dat in op de vuilnishoop, waar hij terecht kwam toen hij dat evenwicht niet bewaarde. De oudere zoon had er meer moeite mee. Hij neemt afstand van zijn jongere broer als hij tegen zijn vader zegt: ‘die zoon van u’. De vader neemt dat niet en antwoordt hem: ‘die broer van jou’. En hij voegt er aan toe: ‘Maar er moet feest en vrolijkheid zijn, omdat die broer van je dood was en levend is geworden, verloren was en is terug gevonden.'