4e zondag in de veertigdagentijd C

C-cyclus · Vasten · 4e zondag van de Vasten · roze

Meestal noemen we dit evangelie ‘Het verhaal van de verloren zoon’. Je kunt je afvragen of dat wel de juiste naam is. Het gaat toch overduidelijk over twee zonen. En het gaat heel nadrukkelijk over een vader. Het gekke is ook dat we het verhaal meestal maar half lezen. We breken het af bij het ‘happy end’, als de eerste zoon weer thuis is en als het feest begonnen is. En ze leefden nog lang en gelukkig. Doek! Spelers af.

Vandaag wil ik met u kijken naar het hele verhaal. En ik wil u vooraf een vraag stellen. Een kleine opiniepeiling, in deze tijd waarin over alles een enquête wordt gehouden.

Welke van die twee zonen vindt u nou de sympathiekste? Ik vraag niet welke de beste is, of de braafste. Neen, welke heeft uw sympathie? Welke vindt u aardig? Wilt u daarvoor eens even handen opsteken. Denkt u eerst maar even na! We beginnen bij de eerste zoon, de jongste, die van huis weggaat en weer terugkomt. Wie heeft die zoon gekozen? (…) En wil dat zeggen dat de overigen de andere zoon gekozen hebben? De tweede, de brave, die thuis bleef en die op het einde moeilijkheden maakt? Mag ik weer even handen zien? Dan weten we of er ook nog onthouding gestemd is. (Hoe valt de stemming uit?)

Het gaat er natuurlijk niet op wie er gewonnen heeft. Er zijn ook geen goede of foute antwoorden, maar misschien brengt dit onderzoekje ons dichter bij het verhaal. Ik probeer even te raden, waarom u zus of zo gestemd heeft.

Sommige mensen hebben kennelijk wat moeite met die tweede zoon. Een hele oppassende jongen, dat wel. Hij doet precies wat zijn vader van hem verwacht. Niet zo’n losbol als de jongste. Die doet maar! En het laat zich raden hoe hij daar in dat vreemde land een liederlijk leventje leidde. Maar die andere, die brave… Die weet zo goed van zichzelf dat hij het goed doet. Zit daar uw irritatie? Je kent ze wel: die mensen die hun levenswijze voortdurend - vanwege enorm succes - prolongeren. Zulke mensen zijn ergerlijk goed.

Christus kent ze ook. En Hij steekt zijn ergernis niet onder stoelen of banken. Hij heeft het tegen sommige farizeeën en schriftgeleerden, die Hem kwalijk nemen dat Hij eet met tollenaars en zondaars. Ik verdenk Jezus er soms van, dat Hij dan nog meer sympathie heeft voor ordinaire zondaars en tollenaars die met de vijand heulen.

Goed, die rijden dan wel eens een scheve schaats, maar die willen het dan ook weten. Uiteindelijk zijn ze bereid om - net als die eerste zoon - terug te keren, tot inkeer te komen, ook al hadden ze zich helemaal afgekeerd van het goede. Het blijft een moeilijke keuze, vindt u niet? De één zit zo duidelijk fout, en de ander zit zo akelig goed, dat je haast geen keuze kunt maken.

Intussen is het ons ook duidelijk geworden dat het verhaal niet zomaar over twee jongens gaat, maar over een heel volk; over onszelf als je goed luistert. Over rechtgeaarde gelovigen die van zichzelf menen dat ze het zo slecht nog niet doen. Over iedereen die van zichzelf weet dat hij/zij soms miskleunt. En die op zoek is naar de weg terug. En (waarover het ook heel duidelijk gaat) die twee groepen willen doorgaans niets met elkaar te maken hebben.

In het verhaal praten die twee jongens niet met elkaar. Alleen de vader wil met beiden op goede voet staan. Hij wil niets liever dan dat ze samen deelnemen aan het feest dat hij heeft aangericht. Vaak zonderen de keurige, nette zonen en dochters zich af van alle anderen. Vanuit een soort religieus meerwaardigheidscomplex. Wij zijn de nette burgers, de echte gelovigen, de ware christenen, de serieuze christendemocraten.

Op zulke momenten vraagt de vader ons enige sympathie voor die andere zoon. Voor hem is er maar één slot aan het verhaal: dat ze samen feest vieren. Daarover laat het verhaal ons trouwens in het onzekere. Kwamen die zonen elkaar nou nog tegen? Dat is de hamvraag. Ik heb de vraag dan ook verkeerd gesteld bij onze enquête. Het juiste antwoord is twee vingers verbonden door de liefde van God. Anders ben je nog geen stap verder. Dan wordt het een repeterende breuk. Dan ben je even ver als in het begin. Alleen is het nu de andere zoon die zich afkeert en zijn deel van de erfenis opeist. Aan de vader ligt het niet. Die komt wel weer naar buiten. Ook voor de tweede keer. Nu om zijn eerst-geborene uit te nodigen voor het feest. Nu moet hij nog levend worden. En het zit goed vast bij hem.

Het hele verhaal gaat over onze weg van dood naar leven. Van gelovige zelfoverschatting naar bekering. Van ‘ik kan het wel alleen’, naar vieren, ‘samen met de anderen’, in het huis van de Vader. Dat stelt mij de vraag: durven wij het contact aan met anderen? Ook met modderaars, met andersdenkenden, met andershandelenden? En kunnen we het ook tot uitdrukking brengen dat we bij elkaar horen als broeders en zusters? Bij ons hoort iedereen. De zondaar en de tollenaar. De buitenlander en de zieke. De jongere en de hoogbejaarde.

En (zoals Dorothee Sölle het zegt): ‘Bij ons horen de mensen met erger pijn, de slachtoffers van het kapitaal, de mensen zonder rechten in de inrichtingen, de mensen zonder land in de steden. Bij ons horen de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog, die eindelijk gerechtigheid te eten willen hebben. De nabestaanden van suïcide die hunkeren naar toekomst. Want wij hebben de langste adem’.

Bij ons is al eens iemand van de dood opgestaan. De weg van dood naar leven is toegankelijk voor iedere zoon en dochter. En het laatste stuk - huiswaarts - lopen God en de mensen samen. Op die weg mogen we God en elkaar ontmoeten.

Zoeken in Preken Online