Wie het evangelie van Lucas in zijn geheel zou lezen, van begin tot eind, die zou merken dat Lucas Jezus’ leven beschrijft als een tocht. Bij Lucas is Jezus voortdurend onderweg. Zijn levensreis begint in Betlehem, en eindigt in Jeruzalem. Beide keren zijn er engelen. Bij zijn geboorte zeggen ze: ‘Heden is u een redder geboren’, en bij zijn graf is het goede nieuws: ‘Hij is niet hier; Hij is verrezen’.
Lucas’ levensverhaal van Jezus is een soort reisverslag. Het vertelt de weg die Jezus gegaan is, en die zijn leerlingen moeten volgen. De eerste christenen heten niet voor niets ‘aanhangers van de weg’.
Onderweg naar Jeruzalem, waar Jezus gezien wordt als een vreemde rabbi met rare ideeën, en waar Hij, verdacht gemaakt, de dood zal vinden, onderweg dus naar zijn ondergang, gaat Jezus de berg op. Boven op de berg, leert de Bijbel, ben je dichter bij God. Op de berg raken hemel en aarde elkaar, en dus gaat Jezus de berg op om dichter bij God te zijn, en daar al biddend te leren welke weg Hij moet gaan. Hij gaat omhoog met dezelfde drie die Hij later ook mee zal vragen naar de Hof van Olijven. Daar is het donker, droevig en moeilijk, onheilspellend. Nu, op de Tabor, is het één en al licht, en eigenlijk al een beetje Pasen. Wanneer Jezus tegen zijn vrienden zegt dat Hij nog veel zal moeten lijden, wil Petrus daar niks over horen, en in de Hof van Olijven slaapt hij gewoon door. Van dieptepunten wil hij niet weten. Van hoogtepunten wel: ‘Hier is het goed; laat ons drie tenten bouwen’.
Maar een hoogtepunt wordt gemaakt door twee dieptepunten; elke berg wordt omringd door dalen. Er is geen licht zonder donker, geen vreugde zonder verdriet. Daarom gaat Jezus hen voor naar beneden, naar het grijze leven van alledag, waar het maar zelden straalt. Maar toch… even was het daarboven al Pasen. Even zagen ze Jezus, aangeraakt door God, stralend. Even hebben ze daar gezien dat Hij wel in de wereld, maar niet van deze wereld was.
En met dat visioen in hun hoofd en hun hart zijn ze het donker daarna veel beter door kunnen komen. Zonder hoop op licht valt er in het donker niet te leven. Je gaat niet het duister in zonder het vertrouwen op weg te zijn naar het licht. Niemand waagt zich in een tunnel zonder de hoop aan het eind licht te zien.
Het uitzicht op die berg gaf Jezus’ vrienden het inzicht dat zijn weg, en onze weg achter Hem aan, door het donker naar het licht loopt.
Met het verhaal over de stralende Jezus zegt Lucas eigenlijk wat Paulus schreef aan de gemeente van Filippi: ‘Ons eigenlijke vaderland ligt in de hemel’. Onderweg erheen moeten we elkaar van dienst zijn. En dus niet doen wat sommige zogenaamde christenen toen deden: ‘Ze hebben hun zinnen gezet op het aardse, en hun buik is hun God’.
Dat is fout, laat Paulus weten. ‘Ons vaderland ligt in de hemel, waar Christus ons armzalig lichaam zal herscheppen en gelijk zal maken aan zijn verheerlijkt lichaam’.
Petrus, Jakobus en Johannes zagen het al even. Op de berg Tabor keken ze al even door een kier de hemel in.