Elk leven heeft drie dagen: een dag van groeien en bloeien, een dag van lijden en sterven, een dag van verrijzen. De Tabor spreekt hierover. Hij spreekt over het leven van Jezus: na zijn opgang en de verspreiding van zijn faam komen zijn lijden en sterven in zicht en zijn verrijzenis in heerlijkheid, ‘zijn heengaan dat Hij in Jeruzalem zou voltrekken’.
Het Taborverhaal staat midden in het evangelie. De kerk plaatst het ook in de veertigdagentijd. Het is de tijd van de opgang naar Pasen, van fascinatie, uitdaging en beslissing, de tijd waar het gebed nog meer nodig is. Als het lijden in zicht komt, wordt ‘het gemakkelijke evangelie’ op de proef gesteld. Het was dan ook ‘om er te bidden’ dat Jezus de drie apostelen meenam op de Tabor. In hen worden wij allen mee uitgenodigd om ons verstand en ons hart te zuiveren, om scherper te kunnen zien, om bewuster naar Pasen te kunnen opgaan.
Het evangelie is niet gemakkelijk. Het is eigenlijk zelfs te moeilijk. De Tabor brengt ons over de moeilijkheid heen. Het is eigenlijk geen verhaal dat ons sterkt. Het overhaalt ons integendeel en overrompelt ons. Het overvalt en overmant ons als een diepe slaap. Het sterkt niet onze te zwakke krachten. Het ontnéémt ons onze eigen krachten, het ontnéémt ons onze eigen woorden. Het dompelt ons in een goddelijke slaap. We weten niet meer wat we zeggen, als we nadien ‘klaar wakker’ worden. We willen scherper zien en bewuster beslissen. Maar wat we na de slaap zien, waar we ons na de slaap van bewust zijn, is ons door God in de slaap gegeven.
De grote dingen worden door God in de slaap gegeven. Eva wordt aan Adam in de slaap gegeven. Hij kan nooit over haar heersen en zal nooit begrijpen waarom. Zij is hem een gave. Abraham ontvangt de belofte in de slaap. Al wat hij kan teruggeven is zijn vertrouwen. Het Verbond met God is niet te begrijpen. Schepping en verlossing, liefde van mensen en liefde van God, rijpen in de slaap, als de mens helemaal overgegeven is aan de krachten van de geschapen natuur en van Gods verlossend woord, dat Hij spreekt in de slaap, van Gods verlossende daad, die Hij in de slaap aan de mens voltrekt.
Als we over veel moeilijke dingen een nacht moeten slapen, hoeveel te meer over het evangelie. De psalmen hadden het voorzegd: ‘Gods vrienden ontvangen het slapend’, en: ‘Als Jahwe het huis niet bouwt, werken de bouwers vergeefs’. David had gedicht: ‘Ik gun mijn ogen geen slaap meer, mijn oogleden weiger ik rust, tot ik voor Jahwe een plaats vind, een huis voor de Sterke van Jakob’, maar hij heeft het huis van Jahwe nooit gebouwd. Een andere psalm dicht in wijsheid: Jahwe ‘onderricht ook des nachts mijn nieren’, ‘heel mijn lichaam rust in vrede’.
Regelmatig klinkt in het evangelie van de kerk de oproep om wakker te leven. Het is natuurlijk een oproep om niet lui te leven, om geest en hart en lichaam te oefenen, maar sterker dan dat, meer, totaal anders dan deze natuurlijke oproep, is het de oproep om in geloof te leven, in vertrouwen op God, die het zijn beminden in de slaap geeft.
Wat is zijn gave? Zijn gave is het leven zelf. Drie dagen geeft Hij ons. De eerste dag van bloei, die wij verstrooid als natuurlijk aanzien, de dag van lijden en sterven, waarop wij schreeuwen dat Hij ons verlaten heeft, de dag van verrijzenis, uit de laatste slaap van de dood, de dag van ons heengaan, dat wij met de eerste ‘Zoon, de Uitverkorene’, in Jeruzalem zullen voltrekken. Zijn gave is de ommekeer van heel ons leven, die van het einde een begin maakt, die leven maakt van de dood, die doet opstaan uit de slaap.
De Taborslaap is een van de ogenblikken waarop Hij ons heel sterk als Vader overtuigt, van zijn goddelijke voorzienigheid spreekt, die ook de derde dag van ons leven insluit. Zonder die derde dag vervallen de eerste twee in het niet. Jezus is wakker en waakt over ons. Aan zijn heerlijkheid, die nu doorbreekt, zullen wij deelhebben.