De ideale, volmaakt evenwichtige mens, die in alle opzichten gelukkig is, zal er wel niet bestaan. Wij zijn niet volmaakt, niet honderd procent gelukkig. Op een of andere manier voelen wij allemaal onze gebreken, lichamelijke of geestelijke, wij voelen allemaal onze kleine kanten, die ons in conflict brengen met onszelf, met onze omgeving, met ons levenslot. Wij worden allemaal door het lijden bedreigd. Voor sommige mensen kan het lijden een echte levensbedreiging worden: de ongeneeslijk zieken, die tevergeefs op beterschap wachten, mensen die moeten leren leven met een handicap, mensen die wegkwijnen in eenzaamheid en onbegrip. Zo is de levensweg van ieder van ons getekend door leed en lijden. Het lijden gaat neerzitten bij het wiegje van een pasgeboren kind, het volgt de jongen en het meisje langs de zonnige wegen van hun jeugd en steekt vlijmende stekels tussen de rozen van geluk. Het lijden woont bij de man en de vrouw, die gedroomd hadden van een gelukkig gezin en het heeft zelfs geen medelijden met de oude man en de oude vrouw. De mens komt huilend in de wereld en bij de stervende rolt nog een traan uit zijn ogen. Leed en lijden bestaan er overal op de wereld. Ook de ongelovige lijdt, maar hij lijdt zonder hoop op een definitieve verlossing. De volgeling van Christus lijdt ook, maar hij lijdt in de hoop op de uiteindelijke verlossing door Christus.
Dat is de belofte van het Tabor-gebeuren waarover wij in de evangelielezing zojuist gehoord hebben. Voor de drie leerlingen was het visioen op de Tabor een hart onder de riem voor de harde tijden die hun te wachten stonden: het lijden en de dood van hun Meester en de vervolgingen waaraan zij zelf na zijn dood blootgesteld zouden worden.
Lucas zegt in de eerste zin dat Jezus, vooraleer Hij vastbesloten zijn weg gaat naar Jeruzalem om daar te gaan lijden, zich terugtrok om te bidden. Tijdens dat gebed verandert er eigenlijk niets aan de situatie waarin Jezus verkeert. De Vader spaart Hem niet voor het kruis, de kruisweg wordt niet omgebogen. Maar Jezus krijgt wel, zoals wij dat zeggen, kracht naar kruis. Het gebed helpt Jezus niet uit de moeilijkheden, het helpt Hem er wel doorheen. Een ogenblik zien de leerlingen zijn heerlijkheid. Hier wordt ons het middel gegeven hoe wij de angst voor het lijden kunnen overwinnen. Onze voorouders kenden geen pijnstillende middelen en er waren geen psychiaters waar zij met hun angst terecht konden, maar wat zij wel kenden was een oprecht geloof, een vertrouwvol gebed. Zij zochten ‘verlichting’, zoals zij dat noemden, in het geloof. Wanneer het leed hard toesloeg, zoals bij Jezus, dan begonnen zij ook te bidden. En zoals bij Jezus veranderde dat hun situatie niet, het nam hun leed, lijden en verdriet niet van hen weg, maar het hielp hen er wel doorheen. Zij vonden in het gebed verlichting voor hun lijden. Zij vonden in het gebed uitzicht zelfs over de grenzen van het graf en de dood heen.
Dat is ook nu nog de betekenis van het Tabor-gebeuren voor ons. Het lijden zal niet het laatste woord zijn in ons leven, als wij nu Jezus bewust willen volgen in zijn lijden, zullen wij ook eens mogen delen in zijn heerlijkheid. St. Paulus bemoedigt ons vanuit zijn geloof in de Verrezene: ‘Wat wij hier te lijden hebben, kan helemaal niet opwegen tegen de glorie die God ons zal geven. Er is uitzicht in elk lijden.’
Om dat te kunnen begrijpen, zullen wij zoals Jezus, ons dikwijls moeten terugtrekken in het gebed, waardoor wij in zekere mate afstand nemen van alle aardse maatstaven om alles te leren zien vanuit de liefde van God. Het gebed opent voor ons een nieuwe wereld, waarin de begrensdheid van ons lijden en dood doorbroken wordt, waarin Gods trouw en Gods liefde zichtbaar wordt. Terwijl Jezus aan het bidden was, veranderde zijn gelaat; terwijl wij bidden zal ook de visie op ons leven veranderen en achter leed en lijden zal er iets zichtbaar worden van de heerlijkheid die Jezus ons heeft toegezegd. Alleen vanuit het geloof mag ik voor u de woorden van Petrus herhalen: ‘Verwondert u niet, wanneer ge moet lijden alsof u iets ongewoons overkomt. Verheugt u veeleer, juist in de mate dat ge deel hebt aan het lijden van Christus, wanneer zijn heerlijkheid zich openbaart zult ge juichen van blijdschap.’ Hij beroemt er zich op dat hij ooggetuige is geweest van de Heerlijkheid van Jezus, toen hij met Hem was op de heilige berg. Het is goed, zegt hij, dat ge daaraan denkt, want het is de lamp die licht verspreidt in een donkere ruimte tot het ogenblik dat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw hart. Alleen in een gelovig, vertrouwvol gebed, zullen wij de diepte van deze woorden kunnen begrijpen, alleen in het gebed zullen wij de kracht vinden om naar deze woorden te leven.