Een oefening in geduld

C-cyclus · Paastijd · Olh hemelvaart · wit

Hij ging weg, zegt het verhaal van Lucas. Wie? Jezus uit Nazaret. Zoon, naar het zich liet aanzien, van een kleine aannemer. Leerling, misschien van woestijnmonniken, zeker van Mozes en de profeten. Leerling levenslang, zoeker naar een eigen weg. Rabbi in een roerige tijd, voorganger in bezet gebied. Middelpunt van volgelingen die hem om de haverklap nog verkeerd begrepen ook. Profeet die het, tegen collaboratie en guerrilla in, opnam voor het recht van rechtelozen. Teken van tegenspraak, thuis bij hoeren en tollenaars. Spreker met gezag, zwijger in majesteit. Veroordeelde in een schijnproces, gehangen aan de schandpaal, geëxecuteerd als een slaaf.
‘Hij leeft, hij leeft’, is geroepen. En grote woorden vielen: Redder van de wereld, Heiland, Messias. Maar pas op: hij ging. Hij is weg, echt weg. Niet meer van deze wereld. Omhoog gedragen werd hij, zegt Lucas. Hij is onbereikbaar geworden: je kunt je niet meer aan hem vastklampen als aan een goeroe. Hoogstens zijn er nog zijn woorden: ‘Zalig de armen, arme rijken - ga in je binnenkamer - heb je vijand lief - iemand had twee zonen - zie de bloemen op het veld - vader, vergeef het hun - ik zeg je: heden nog’. Hijzelf, Jezus, ging weg uit onze tijd en onze wereld. Onherroepelijk. De beurt is aan ons.
Hij komt, zingt de droom van Johannes. Wie? De waarborger van een ander leven. De engel - lichtgestalte, bode - van een nieuwe wereld, bewoonbaar en vruchtbaar, zonder nacht van onrecht. Het lam, in de beeldtaal van Israël, het tegenovergestelde van de dood, de verpersoonlijking van de antimacht. De zachte kracht die in het eind zal overwinnen, naar het woord van de dichteres (Henriëtte Roland-Holst). Is die komende dezelfde ontheven en ontstegen rabbi Jezus? Niet de historische figuur van toen en daar. Wel zijn verhaal; zijn woorden en daden, uitgezaaid in tijd en ruimte, gekiemd en gegroeid tot vruchtbaarheid in mensen van licht. Niet die ene, wel de Messias, toekomst geworden mensheid, mensgeworden mensheid.
Dat zegt, zingt, hoopt en troost de droom, de openbaring, het oude nieuwe visioen. Om ons overeind te houden, om ons dorstig te houden, om het lied van liefde klinkend te houden, totdat de nieuwe wereld en het andere leven werkelijkheid zijn. Totdat gekomen is wat komen moet en zal, totdat Gods koninkrijk - zoals die toekomst heet - gevestigd is: hemel op aarde, eindelijk gerechtigheid.

Hij ging weg. Dat zou kunnen betekenen: wij worden op weg gezet als dragers van zijn getuigenis, zijn woord en daad, zijn leven. Wij worden op eigen benen gezet, als volwassen volk uitgezonden. Wij hebben te gaan.
Hij komt. Dat zou kunnen betekenen: wij kunnen op weg, omdat er een toekomst voor ons ligt, een horizon van zon. Wij worden geroepen, thuis verwacht. Wij mogen komen.
Dat klinkt heel mooi, maar het is moeilijk. Wij worden tot actief gaan uitgedaagd, maar mogen onszelf niet voorbijlopen. We worden tot dromen verleid, maar mogen niet vluchten, wégdromen. We worden onder spanning gezet: de spanning van daad en droom. Wat te doen?
Tip van Jezus, een laatste raad: ‘Blijf in de stad’. Sla niet te snel aan het prediken en dopen. Hang niet jezelf op aan voorbarige visioenen. Je bent er nog niet; je hóeft er ook nog niet te zijn. ‘Blijf in de stad’: bij elkaar, bij jezelf, onder de mensen. Houd het uit tussen daad en droom. Hóe houd je het uit? In het bidden. Bidden is de levenskunst die je staande houdt tussen gaan en komen, tussen hollen en stilstaan, pompen en verzuipen. Tussen droom en daad. En anders dan ‘wetten en praktische bezwaren’ (Willem Elsschot) doen, staat bidden niet in de weg, maar helpt het op weg. Door de droom tot jóuw droom te maken en de daad tot de jouwe. Door jouw ongeduld te verhevigen én een spankracht van troost te geven. Door jou ongedurig te maken en rustig tegelijk. Zoiets; een oefening in ongeduld.

Bidden. Je kunt er veel mens in kwijt. Jezelf bij voorkeur, jouw situatie, jouw levenslust en onmacht, jouw belevenissen, gedachten, plezier, drift, onzekerheid. Kooswoordjes, krachttermen, vloeken, scheldpartijen, protest, klacht, verliefdheid, verlangen: in het bidden is alles toegestaan; sterker nog: aanbevolen. Lees, zing, bid de psalmen.
Je kunt er veel mensen in kwijt; nee, je kunt hen erin vinden. Anderen, naasten die jou te na komen. Bekenden en onbekenden, in hun leven en sterven. Bidden is een oefening in solidariteit met hen: je wilt hen horen, je wilt en gaat bij hen horen; je geeft thuis, doet open, brengt je hart in conditie; je traint jezelf en elkaar in liefde.
Je kunt er God in kwijt, dat ook. Die zou horen, had Zij gezegd. Daar mag je Haar op aanspreken, of Hem als dat nabijer is. Trouwens, de tegenstelling mens-God is op het punt van bidden minstens betrekkelijk. Zie Psalm 139, zojuist gezongen: ‘In mij was niets voor uw ogen verborgen'.

Bidden. Je kunt temidden van allerlei zwartigheid het bestaan zegenen, dat is: goed noemen (‘bene dicere’) en zo jezelf leren aanvaarden. Je gekend weten, in een zinvolle samenhang opgenomen. Soms is bidden een kwestie van durven gelukkig te zijn, van genieten en onbekommerdheid. Je ziet de hemel open, je vindt een plek op aarde. Je vergroot de reikwijdte van je blik, ontwikkelt zoiets als heimwee naar de toekomst. Zegenen is de droom recht doen, in een moment van genade en vrije overgave.
Andere keren - of juist op dezelfde momenten, wie zal het zeggen - is bidden een gebaar van toewijding. Je schuift de gordijnen open, je wist de ruiten van je ziel, je kijkt scherper dan ooit, je oren raken gespitst. Je stroopt de mouwen op om in actie te komen, je trekt je schoenen aan om op weg te gaan. Bidden is dan: jezelf voorbereiden en op daden instellen. Je hart oprekken en warmdraaien.
Wie met beide voeten op de grond is gezet, mag af en toe met het hoofd in de wolken lopen. Wie iets gezien heeft, kan vooruit. Wie ‘gekend wordt in hart en nieren’ kan ook zijn voeten gebruiken.

Bidden. Er is altijd een grote stilte in, omdat je dan kunt horen of je geroepen wordt en door wie. Er is vaak een grote schaamte in, omdat je terecht heel voorzichtig bent als je je ziel blootlegt. Soms bidden we op de golfslag van grote tradities, soms moeten we zelf woorden zoeken: onhandig, beschroomd, met horten en stoten. Nogmaals: alles is toegestaan en zelfs aanbevolen. Bidden kan zelfs lukken op de automatische piloot: als en voor zover de herhaling jou tekent als een mens van overgave en toewijding. Je zit te schuiven op je stoel of je vindt eindelijk rust. Je krijgt krampen in je maag of je raakt lekker thuis in je eigen vel. De ene keer droom je voor de daad uit, de andere keer leef en doe je achter de woorden aan.
Overigens, vergis je niet. Door het bidden verandert niet de wereld, wel - misschien - de biddende zelf. Een litanie, hoe magisch of melodramatisch ook, trekt God niet de hemel uit; maar misschien word jij erdoor opgeheven richting Gods droom en domein.

Bidden, in de stad blijven, het uithouden je kunt en moet het vaak alleen, in je binnenkamer, in jouw allereigenste intimiteit die je hoogstens wil delen met die Ene. Soms is bidden een zaak tussen twee. Maar meestal - ik spreek nu voor mezelf - heb ik de ge-meente nodig. Woorden van anderen om tot spreken te komen. Aanwezigheid om tot mezelf te komen. Ruimte en nabijheid om die Ene te herkennen. Uur en tijd om eeuwigheid te ontwaren. Muziek om oude dromen klank en kleur, diepte en hoogte te geven. Om God te kunnen geloven, om mezelf te kunnen geloven. Piano, or-gel, hoesten, longen, buiken, stemmen: natuurlijk hóeft dat allemaal niet per se, maar het maakt me méér heel dan me lief is.
Bovenal heb ik om te bidden mensen nodig: verwarmende zielen, omarmende lichamen. Een gemeente als een bruid - nee, meer nog: een vriendin - die fier en ongeschonden haar toekomst viert; een volk als een lichaam waarin de adem aanzwelt tot een stormwind van daadkracht; een vindplaats van heilige Geest.

Laten wij dus bidden. Heden is het: oefentijd.

‘Amen: moge het zo zijn'.

Zoeken in Preken Online