Vooral op de vijfde zondag na Pasen, hebben we over Gods heerlijkheid gesproken en over de heerlijkheid van Jezus. Jezus ontvangt zijn heerlijkheid van God, “vóór de grondvesting der wereld”. Vóór de schepping heeft God Hem liefgehad en daarom heeft Hij Hem zijn heerlijkheid gegeven, zijn eigen heerlijkheid, zoals de ouders hun kinderen liefhebben nog vóór ze hen het leven schenken, en er in hun liefde van dromen, al wat ze hebben en zijn, al hun rijkdom en talenten, aan hun kinderen door te geven.
Als Jezus in de wereld geboren wordt, zien allen de heerlijkheid van God zelf in Hem, zoals de mensen in een kind de ouders herkennen, naarmate het opgroeit en tot rijping komt. “Wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd”, schrijft Johannes in zijn voorwoord, “zulk een heerlijkheid als de Eniggeborene van de Vader ontvangt”.
Gods liefde van alle eeuwen voor zijn Zoon, ontstijgt ons begrip, zoals ook het geheim van de geliefden voor hun kind ons ontoegankelijk blijft. Het is als het kind geboren is en opgroeit, dat wij in de heerlijkheid van het kind, de liefde van de ouders herkennen en hun heerlijkheid erkennen. Zo is het ook met Jezus in de wereld.
Naarmate Hij optreedt als Messias, erkennen wij in Hem Gods heerlijkheid. Niet alleen bevroeden wij in en door Hem de heerlijkheid en schoonheid van God, zijn almacht, zijn rechtvaardigheid en zijn liefde, maar wij zijn getuige van zijn optreden, dat heerlijk bevrijdend werkt, in de geschiedenis van de mensen en in de natuur, die Hij geschapen heeft en die aan Hem gehoorzaamt, zoals Jezus volmaakt aan God gehoorzaamt.
We luisteren vandaag naar Jezus’ laatste woorden. Vlak vóór zijn dood, legt Hij heel zijn ziel in het gebed, dat Hij in het bijzijn van zijn leerlingen, tot zijn Vader richt. We leven zeven weken na Pasen en we begrijpen zijn woorden beter dan toen alles nog gebeuren moest. Ze maken deel uit van zijn testament. Ze komen helemaal op het einde van wat Hij ons in zijn lange rede, die Hij uitspreekt vooraleer zijn leven te geven, op het hart wil drukken.
Zoals ouders in hun testament een laatste keer alles aan hun kinderen geven, zo geeft de Zoon, de Eniggeborene, zo geeft Jezus, de Eerstgeborene aan zijn leerlingen, alles wat Hij kan geven. Hij geeft hun zijn leven, met heel de heerlijkheid ervan, die Hijzelf van de Vader ontvangen heeft, met heel de liefde die tussen Hem en de Vader is. Jezus’ testament is het Nieuwe Testament zelf. Het is een “nieuw en eeuwig verbond”.
Het is eeuwig, niet alleen omdat het voor altijd geldt, “voor hen”, voor de leerlingen die luisteren, voor de Apostelen die mee aanliggen, bij het Laatste Avondmaal, en “voor hen die door hun woord geloven”, generatie na generatie, maar ook omdat wat Jezus geeft, voor eeuwig duurt. “Ik wil dat zij die Gij Mij gegeven hebt met Mij mogen zijn waar Ik ben”. Jezus kan geen afscheid nemen. Hij kan niet tot de Vader terugkeren, en zijn broeders achterlaten. Voor eeuwig wil Hij de gemeenschap, de liefde en de eenheid, die Hij met zijn Vader vóór alle eeuwen had, en die Hij met zijn leerlingen gedeeld heeft, bestendigen in de eeuwige aanschouwing van zijn heerlijkheid bij de Vader. Het is in de volle betekenis een eeuwig verbond dat Hij wil sluiten. De zijnen moeten altijd bij Hem en in Hem zijn, zoals Hij voor altijd bij en in de Vader zal zijn.
Het is ook een nieuw verbond. Nieuw is de heerlijkheid van de leerlingen, die Jezus’ eigen kracht zullen ontvangen en die zoals Hij zullen overwinnen op alle krachten van de dood, in de natuur en in hun eigen hart en lichaam. Nieuw is de liefde waarmee zij in dit leven en hiernamaals één zullen zijn met Hem en met de Vader. Wie minder viert, viert Pasen niet.