Geen vrijblijvende liturgie

C-cyclus · Paastijd · 7e zondag van Pasen · wit

Er kwam eens iemand bij de dokter. Hij had een onvoorstelbare hoofdpijn. Geen voorbijgaande hoofdpijn van een tijdelijke griep, maar een voortdurend bonken in het hoofd dat almaar duurde. Bij onderzoek bleek dat de bloeddruk veel te hoog was. De dokter zei dan ook dat hij beslist niet te vroeg was gekomen. Het was geen wissewasje. De arts schreef een volledig zoutloos dieet voor, verbood alle alcohol, en gaf tabletten voor drie maal daags. De patiënt ging naar huis. Hij voelde zich opgelucht dat hij toch naar de dokter was gegaan. Hij zag in dat hij niet langer had mogen wachten. Overigens at hij gewoon lekker hartig eten, dronk hij zijn borrel, en nam hij geen tabletten in. De hoofdpijn bleef. Na drie maanden is de patiënt overleden.

Een onzinnig verhaal. Maar zoiets gebeurt. Dit verhaal gaat namelijk over onszelf. En het is een verhaal dat wekelijks wordt vervolgd. En het laatste hoofdstuk zal wel zijn dat de kerk van Jezus van Nazaret is overleden doordat men wel wekelijks bij Hem op consult kwam, maar niet deed wat Hij had voorgeschreven.

Wij gaan straks bidden. Bij dat gebed zullen we waarschijnlijk zeggen wat onze klachten zijn: verdeeldheid, verdachtmaking, vooroordeel, ruzie, onverdraagzaamheid. Want ieder van ons heeft wel eens meegemaakt dat er iemand was die ons nooit heeft gezien, en die ons nooit heeft gesproken, of die ons in ieder geval nooit van nabij heeft gekend, en die toch van ons iets lelijks zegt.
Wij hebben daaronder te lijden. Wij zouden graag zien dat daar verandering in kwam. Maar tegelijkertijd zijn wij ons ervan bewust dat er iemand anders is, die wij nooit hebben gesproken, die wij nauwelijks van nabij kennen, en van wie wij toch zeggen dat die mens niet deugt.
Wij gaan straks bidden. En dan zeggen we onze geneesheer wat onze kwaal is. Het recept dat Hij zal geven, zal een goed recept zijn, al is het misschien niet eenvoudig het in te nemen, het te incasseren. Maar als wij dat recept niet opvolgen, zijn wij bezig ons laatste hoofdstuk te schrijven.

Wij weten van Jezus dat Hij ten minste één keer de teksten voor een liturgie heeft verzorgd. Hij heeft namelijk voorbeden gemaakt. Toen heeft Hij gebeden voor eenheid.
En wat de rest van die liturgie betreft: we weten heel zeker dat Hij het brood genomen heeft en uitgedeeld, en gezegd: ‘Neem en eet hiervan, gij allen, want dit is mijn lichaam, voor u gebroken’.
En ten slotte: wanneer Hij na zijn verrijzenis als een wildvreemde in de ogen van zijn leerlingen rondloopt, zonder door hen herkend te worden, weet Hij alle twijfels weg te nemen door het brood te breken. Zij herkenden Hem aan het breken van het brood.
Uit deze drie gegevens blijkt duidelijk wat Jezus heeft gewild. Hij wilde eenheid en liefde. En daar bidt Hij voor. Maar Hij doet er ook iets voor. Hij heeft zichzelf tot brood gemaakt. En dat brood hield Hij in zijn handen; Hij brak het, en gaf iedereen te eten, zonder één uitzondering. Hij maakte geen onderscheid. Hij brak zich voor allen, voor goeden en kwaden, voor rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Een moordenaar naast Hem op het kruis heeft het ervaren. En na zijn dood blijft Hij herkenbaar aan het breken van het brood. Hij heeft dus om eenheid en liefde gebeden, en Hij heeft er iets voor gedaan.

Als onze liturgie de liturgie van Jezus wil zijn, moet onze liturgie hetzelfde doen: bidden om eenheid en liefde, en daar iets aan doen. Wij bidden dus om eenheid en liefde. Maar kan dat gebed samengaan met een ruzie die maar niet wordt bijgelegd? Als wij hierop ‘ja’ zeggen, kunnen we beter stoppen met liturgie.
Bij liturgie staan we namelijk voor onze schepper. We erkennen Hem en we aanbidden Hem, en door dit contact met Hem voelen we dat we zorg moeten hebben voor zijn schepping. Als wij bidden voor een zieke, vraagt dat gebed dat we zorg hebben voor die mens, en dat we op z’n minst een telefoontje moeten wagen om eens te informeren hoe hij het maakt. Als we bidden om eenheid en liefde, zullen we aan die eenheid en liefde iets moeten doen. Dan kunnen we een vooroordeel niet laten voortduren, kunnen we een ruzie niet laten voortbestaan. Doen we dat wel, dan heeft liturgie geen zin.

Stel dat we na een liturgie zeggen: ‘Het was een mooie viering, goed verzorgd’. Of stel dat we zeggen: ‘Het was niets vandaag’. Dat is net zo onbelangrijk als na een consult met een dokter zeggen: ‘Wat heeft hij een mooie spreekkamer’. Dat is voor een zieke niet van belang.
Het gaat erom of er na het consult iets gebeurt. Of een viering goed was of niet, kunnen we na afloop nog niet zeggen. Dat kunnen we pas later, morgen of zo, in ieder geval niet eerder dan dat we er iets mee gedaan hebben.
Hebben we er niets mee gedaan, dan was die liturgie waardeloos. Is er wel iets gebeurd, is er eenheid en liefde gegroeid, of heb je even aandacht besteed aan die zieke, dan was die liturgie goed.

Zoeken in Preken Online