We zullen maar geen grapjes maken over mensen die altijd het laatste woord willen hebben. Dat is trouwens meestal niet zo grappig. Het gaat in de lezing van de Apocalyps niet over God die het laatste woord spreekt. Nee, het gaat gewoon over het woord dat materieel het allerlaatste is van het hele nieuwe testament: Amen. Kom Heer Jezus!’ Daarmee wordt het laatste boek geslo-ten. Of liever, daarmee staat het laatste boek voorgoed open. Met een open vraag. Voor eeuwig en altijd. Mensen zullen in verwachting leven totdat ze ééns zullen zijn geboren voorgoed. Zo wachten we altijd op onze laatste geboorte. Dan zal alles zijn vervuld. En alleen genade en gratie zullen de tijd overleven. Dat zal een droom zijn. Een droom die opengaat.
Zo zijn dus christenen: nieuwsgierige mensen. Cynisme en defaitisme zijn onze woorden niet. Ze passen niet in ons woordenboek. Wij zijn veeleer mensen van de dubbelpunt. Altijd wordt iets ingevuld achter onze tranen en onze twijfels, achter onze frustraties en onze mislukkingen, achter onze ziekte en onze pijn. Niets van dat alles is het laatste. Na onze lange en lastige drukte begint het geluid van Gods volle stilte. Mensen zijn geboren overlevers en doorlevers. Al onze seizoenen zullen eindigen en overgaan in een grote zomer. In deze hoop mag ik leven en sterven… en nog eens leven. Maar dát leven zal niet ons maaksel zijn. Het zal een deur zijn die opengaat voorgoed. Hij die zo vaak voor onze deur heeft gestaan en die zo vaak gevraagd heeft om binnen te mogen, Hij zal voor ons Zijn deur openen. Welkom is Gods naam. Bij ons sterven zal Hij zingen: nu sift wellecome! Het zal ons laatste geboortelied zijn, Gods kerstlied voor de mens.
Intussen vullen wij onze grote leegte op met grote woorden. Miljoenen en miljoenen woorden, uren en dagen en nachten vol. Als het even kan, doen we dat meer dan tachtig jaar lang. Af en toe spreken we met eerbied wel een plechtig woord, vol belofte en vol kwaliteit. Met deze woorden houden we onszelf en elkaar staande en gaande. Zo vergaat onze tijd… met woorden van trouw en van rouw. Totdat het raderwerk van onze woorden breekt… en eindelijk zwijgt.
Nu zegt het boek der Apocalyps dat ons raderwerk niet enkel breekt, maar dat het openbreekt. Er is altijd Iemand die komende is. De boom des levens staat nog altijd te bloeien in de tuin waarin we zonder adem zullen worden neergelegd. Het water van in den beginne zal nog stromen. Een grote stroom door de stad waarin we welkom zullen zijn. Het leven zal doorgaan. Hij die de Eerste is en de Laatste, houdt het zegenend in zijn hand. De schoot van het leven is nooit zonder zaad. Vruchtbaarheid en overvloed zijn kwaliteiten van Gods minne. Leven na de dood is niet Gods probleem.
Hij vraagt eerder of er onder mensen wel kwaliteit is van leven vóór de dood. Want ook dáár wil Hij komen. Menselijk met de mensen die gedwongen worden het leven te ondergaan zonder warmte, zonder perspectief. Met de mensen die altijd en overal en noodgedwongen nul-mensen zijn. Ook daar spreken wij met de laatste vraag: ‘Kom Heer Jezus, kom.’ Het zal de aarde vervullen met diepe en tedere nabijheid.
God wil ook vandaag de Komende zijn.