Het was nacht en zijn lot was bepaald. Judas was onderweg om hem te verraden voor een hand vol zilver. Jezus wist niet alleen dat hij ging sterven - iets wat wij mensen allemaal weten - hij wist ook hoe, wanneer, en waarom. Het is op dat moment dat hij opnieuw begint te spreken over zijn ‘glorie’ en over de ‘glorie’ van God. Een term die wij in het Nederlands wat ongelukkig en seksistisch vertalen met verheerlijking.
De eerste keer dat hij dat in het evangelie van Johannes doet, is als hij geconfronteerd wordt met enkele Grieken die hem willen zien (12,20-22). Dat incident is hét keerpunt in het Johannesevangelie. Het is dan ook een hele gebeurtenis. In de tijd van Jezus - en eigenlijk al lang daarvoor - vormden de Grieken en de Helleense cultuur de grootste bedreiging voor de joodse traditie en godsdienst. Het is daarom geen wonder dat de komst van Grieken en hun verwelkoming in de groep rond Jezus een volledige doorbraak betekende.
De Grieken in kwestie moeten zelf die moeilijkheid goed aangevoeld hebben. Ze gaan niet direct op Jezus af. Ze gaan via een omweg. Ze gaan eerst naar Filippus, die een Griekse naam had, en daarom waarschijnlijk ook Grieks sprak. Filippus weet niet goed wat hij met hen aan moet, en hij gaat Andreas om raad vragen. Vervolgens gaan ze samen naar Jezus om hem te vertellen dat er een paar Grieken zijn die hem willen zien. Op dat moment begint Jezus te spreken over zijn verheerlijking en die van zijn Vader. Het is bij die gelegenheid dat Jezus zegt dat zijn uur gekomen is. Een Amerikaanse exegeet als Raymond E. Brown meent zonder meer, dat bij die gebeurtenis Jezus’ bedoelingen voor het eerst helemaal vervuld worden. Daar had hij steeds op gewacht. De nauwe cirkel rond hem wordt op dat ogenblik definitief doorbroken. Er wordt nu niet meer over één groep maar over allen gesproken. Er wordt niet meer exclusief maar inclusief gedacht en gevoeld. Op dat ogenblik wordt de ruimte geschapen, die Jezus later zou doen zeggen dat er in het huis van zijn Vader plaats is voor velen.
Het is het begin van de nieuwe wereld, de nieuwe aarde, de nieuwe hemel, van een universele liefde, en van een globale solidariteit. Dat is het nieuwe in het gebod dat hij ons naliet, toen hij zelf deze wereld verliet: ‘Kindertjes nog maar kort zal ik bij u zijn. Een nieuw gebod geef ik u, gij moet elkaar lief hebben, zoals ik u heb lief gehad, zo moet ook gij elkaar lief hebben. Hieruit zullen allen kunnen opmaken dat gij mijn leerlingen zijt: als gij de liefde onder elkaar bewaart.’ Tot dan toe werden liefde en solidariteit beperkt tot de eigen kring, tot de natie waar je bij behoorde, tot het volk waaruit . je geboren werd. De liefde die door hem gevraagd wordt, houdt in, dat allen in onze kring worden opgenomen. Het is die ruimte die het oude gebod nieuw maakt.
Het is een doorbraak die hem zijn leven zal kosten, zoals het zo velen na hem hun leven gekost heeft. Maar hij is zonder meer bereid daarvoor zijn leven te geven. Het is het uur waarvoor hij in de wereld gekomen was. In deze context zegt hij dat de graankorrel open moet breken om leven te kunnen geven (12,24). Dit alles heeft in Johannes iets te maken met zijn glorie en met de glorie van God. Gods glorie manifesteert zich op die ogenblikken dat Gods macht voelbaar en merkbaar onder ons werkt. Dat deed ze in Jezus toen, dat doet ze in ons vaak nu.
In zijn afscheidscollege in 1985 vertelde professor Luchesius Smits de volgende persoonlijke ervaring: Tijdens een bezoek aan een streekziekenhuis in het noorden van Zaïre vroeg ik aan de Belgische geneesheer-directeur waarin de christelijke identiteit van zijn ziekenhuis tastbaar werd. Hij glimlachte en wees naar een zwart verpleegstertje en zei: ‘Telkens wordt onze identiteit letterlijk tastbaar, als zij van zich gedaan kan krijgen om iemand van een naburige stam te verplegen’ (Bewustzijnsvernauwing en Bewustzijnsverruiming). De macht en de glorie van God worden op zo’n ogenblik manifest, omdat Gods bedoeling in ons midden werkelijkheid wordt.