Soms denk ik de verkeerde dingen en stel ik belachelijk onnutte vragen. Het is ongepast en knap lastig, maar het is niet anders. Het gebeurt. Zit ik bijvoorbeeld in de schouwburg (‘Het begeren onder de olmen’), zie ik Gerard Thoolen als oude machoboer graaien aan zijn jonge bruid, hoor ik hem raadselachtige teksten zeggen over borsten en schoot, dan denk ik: zou iemand in deze volle zaal beseffen dat hij citeert uit het Hooglied? Zie ik een politicus over het Binnenhof strompelen om halftwaalf ‘s nachts, denk ik aan zijn schoolgaande kinderen. Hoor ik een bisschop oreren, denk ik: zou die niet eens lekker naar de sauna moeten?
Verkeerde dingen, onnutte vragen. Ik heb het ook bij de Schriften. Is dat ernstiger? Het gebeurt. Zo vraag ik me al jaren af waarom Jezus van Nazaret nu juist vissers uitkoos als gezellen, en geen rabbijnen. Of journalisten. Omdat vissers hun psalmen voldoende langzaam zingen? Omdat ze radar aan boord hebben en geen wapens? Omdat als zij boeten het tenminste effect heeft?
Van de geleerden mag ik niet zo anachronistisch denken. Zij zeggen dat de eerste leerlingen vissers waren, eenvoudigweg omdat die beroepsgroep het netwerk van handel en communicatie beheerste; in die tijd zonder vriescapaciteit was een snelle verwerking namelijk geboden. Het zal wel, maar, denk ik dan, kan het ook niet gewoon toeval zijn geweest? Of is het de hoogst onnutte verhaalvorm van de evangelies die om vissers vraagt? Zij zijn getraind in én angst én vertrouwen. Het geloof heeft redenen die de wetenschap niet kent.
Verkeerde dingen, onnutte vragen. Neem het verhaal van vandaag. Bij Simon Petrus gaan er bij mij altijd haren overeind staan. Gaan vissen, hé? Altijd enthousiast en tot onmiddellijke actie bereid, - maar waar bleef je toen het erop aankwam? Toen kende je je vriend niet, toen liep je weg. En nu ik het er toch over heb: van je schoonmoeder weten we tenminste dat ze ziek was en weer opstond, maar waar is je vrouw gebleven? En je kinderen, als je die had? Zomaar in de steek gelaten? Of hielden ze het bij jou niet uit? Zo denk ik dan, en mijn verkeerde vragen voeren mij weg van het evangelie. Of toch niet?
Bij wat genoemd wordt ‘de leerling van wie Jezus veel hield’ denk ik dus ook altijd van alles. En dan raak ik vertederd door die rest van onbekommerde vriendschapstaal. Of juist geïrriteerd omdat de schrijver van het vierde evangelie zich Jezus lijkt toe te eigenen.
Maar soms brengen de verkeerde gedachten mij bij het enig juiste antwoord. Deze leerling - en niet de onbesuisd actieve Petrus - herkent als eerste zijn vermoorde vriend als de Levende, omdat alleen de ogen van een geliefde door de dood heen kunnen kijken.
Verkeerde vragen op het verkeerde moment, het gebeurt Als ik hoor dat Petrus zijn kiel opschortte en in het water sprong, denk ik dus: is dat niet lastig zwemmen met je kleren aan? Totdat ik weer weet dat reddend zwemmen altijd met je kleren aan moet, en besef dat het uiteindelijk om reddend zwemmen gaat. Verkeerde vraag, maar langs een omweg het goede antwoord.
Onlogische elementen in een verhaal zetten mij prompt op het verkeerde been. Of is dat juist het goede been? Jezus is eerst de vragende partij, een vreemde gast die om voedsel bedelt; maar gaandeweg wordt hij de gastheer die de anderen uitnodigt en te eten geeft. Eerst vraagt hij om vis, vervolgens heeft hij al vis op zijn barbecue liggen, en dan nog moet hij vis van de anderen erbij hebben.
Eigenaardig - tot ik besef dat dit de logica is van liefde en vriendschap. Wat Jezus betreft: wie vraagt, die kan geven. Wie anderen nodig heeft, die kan zelf van betekenis worden. Wie zichzelf afhankelijk maakt, die heeft recht van spreken. Wat zijn vrienden betreft: als ik inspring ontvang ik. En als ik ontvang, breng ik ook zelf iets in. Een spel van geven en nemen om beurten: zo gewoon als het wonder van liefde. En even onuitputtelijk. Allicht durfde geen leerling hem te ondervragen: ‘Wie bent u eigenlijk?’ Dít zou pas een echt verkeerde vraag zijn geweest, op het genadige moment dat de gestorvene hervonden is en het leven van geven en ontvangen herbegint.
Intussen zijn bij mij de verkeerde vragen nog niet weg. Als het dan toch gaat om herkenning en dóórgaan waarom dan niet meteen brood-en-wijn op tafel, in plaats van brood-en-vis?
Misschien moet het wel brood-en-vis zijn, omdat herkennen en doorgaan nooit betekent: herhaling van hetzelfde. Altijd: iets anders waarin dezelfde zichtbaar wordt. Elke dag is nieuw. En God weet, wat wij nog moeten en kunnen meebrengen.
Maar waarom geen vullend avondmaal, in plaats van zo’n geïmproviseerd ontbijt? Misschien omdat een avondmaal rust en voltooiing met zich meebrengt en een bezegeling is van wat geschied is. Een ontbijt daarentegen vraagt om actie, is een uitdaging. De dag is nog maar net begonnen, er moeten kielen worden opgeschort en mouwen opgestroopt. Het ontbijt speelt in op wat komen gaat, maakt onrustig, brengt in beweging.
Toch kan dat niet het enige antwoord zijn. De morgen is niet alleen het begin van de dag - in ons enthousiasme zouden we te snel te water springen en het net van onze spankracht zou scheuren. De morgen is eerst en vooral het einde van de nacht, waarin de droefheid van de avond zich vastzette. In de morgen kan vreugde opbloeien omdat je dan de nacht bent dóórgekomen. Na de nacht van de geliefde leerling - gemis, niet vervulde hartstocht, eenzaamheid - is de morgen vol licht; ongenadig maar reëel, met zijn vriend verlegen makend dichtbij. Na de nacht van Simon Petrus - wegvluchten eerst, hanengekraai en verlammend schuldgevoel daarna - is de morgen vol bevrijding; gaandeweg ziet hij geen spoken meer maar mensen, en mag hij zo onbesuisd zijn als hij is. ‘Zo werd het avond, nacht en morgen.'
Soms denk ik de goede dingen op het juiste moment. En daar hoor ik al roepen: ‘Kom nu ontbijten’. Wie daar roept weet ik niet, - maar ik hoef er niet naar te vragen.