Wat maakt ons nu eigenlijk tot christenen? Waar komt het in ons geloof tenslotte op aan? Die vraag komt telkens weer terug als je in een eindeloze discussie merkt dat je eigenlijk alleen om woorden gestreden hebt. Het is ons allemaal duidelijk dat je nog geen christen bent, als je gedoopt bent, de godsdienstlessen gevolgd hebt of de noodzakelijke sacramenten ontvangen hebt, zoals het vormsel of het huwelijk. Is het dan de actieve deelname aan het kerkelijk leven dat de christen kenmerkt, of het ernstig streven om goed en hulpbereid te zijn?
Maar ook als je kunt zeggen dat je dat allemaal doet - en dat is toch al heel veel - dan stel je je toch nog wel eens op bepaalde kruispunten van je leven de vraag: ben ik dan wel werkelijk een christen? Of is mijn christen-zijn alleen maar een dunne verflaag over een leven dat eigenlijk volgens heel andere maatstaven verloopt?
In het evangelie van vandaag is de beslissende vraag: hebt gij mij lief? Ze is zo beslissend dat Jezus ze tot driemaal toe aan Petrus stelt. En zelfs Petrus, die toch alles verlaten had en Jezus gevolgd was, kan in de herinnering aan zijn drievoudige verloochening maar heel moeilijk een antwoord formuleren: ‘Heer, gij weet alles, gij weet dat ik U liefheb’. Wij zullen wel geen beter, bescheidener antwoord kunnen geven dan Petrus.
Die vraag van Jezus geeft ook ons wel te denken. Want zij geldt niet alleen voor Petrus. Die beslissende vraag geldt voor iedereen die zich christen noemt: Hebt gij mij lief? Jezus vraagt niet: wat heb je allemaal al voor mij gedaan? Wat heb je allemaal al voor mij doorstaan? Maar alleen: hebt gij mij lief? Wat betekent Christus eigenlijk voor ons? Is Hij voor ons alleen een helper in de nood? Die ons moet redden als wij zelf niet verder kunnen, die ons een antwoord moet geven op al onze vragen? Willen wij niet dikwijls dat Jezus zou moeten doen, wat wij eigenlijk graag zelf willen hebben? Jezus is ook veel meer als een ideaal, als een voorbeeld van menslievendheid en goedheid. Jezus wil dat wij Hem liefhebben, dat wij leven van zijn leven, delen in zijn liefde.
Hebt gij mij lief? Die vraag is zeer eng verbonden met de opdracht die Jezus aan Petrus geeft: ‘Weid mijn schapen’. De binding aan Jezus is ook een binding aan de mensen. Onze bin-ding aan de mensen berust niet op prestatie of Organisatie maar op onze liefde tot Christus. Die liefde tot Christus is de bron van ons apostolaat. Hoe hoger onze dienst aan de mensen is, des te groter moet onze liefde tot Christus zijn. Staan we in dit opzicht niet arm voor God en voor de mensen? Wie kan zeggen dat hij voldoende liefde bezit voor Jezus en voor de mensen? Zeker, een algemene mensenliefde, die vrijblijvend is, die geen inzet vraagt, is tegenwoordig in de mode, maar de mensen liefhebben in hun concrete nood en die nood bewust en vrij met hen delen, dat is een grote opgave, waarin onze liefde dikwijls te kort schiet.
De eerste vraag: hebt gij mij lief? mondt zo uit in een tweede vraag: wil je zorg dragen voor de anderen? Er bestaat geen christen-zijn zonder verplichting tegenover de christelijke en de menselijke gemeenschap. De gemeenschap dient niet alleen om mij goed te verzorgen in mijn geestelijke en materiële noden, zij vraagt van mij ook dat ik zorgend bezig ben voor de anderen. De vraag: wat heb ik aan de Kerk? is niet juist gesteld, want Christus roept ons allen tot medewerkers in zijn Kerk. De Kerk hoeft niet telkens te bewijzen dat het de moeite waard is om erbij te zijn, het gaat om de beslissende vraag: hebt gij mij lief?
Die liefde tot Christus en die dienst aan de andere mensen kan zich natuurlijk op verschillende vlakken concretiseren. Voor de een kan het een vorm zijn van voortdurende bereidwilligheid en ten dienste staan van anderen, voor de ander kan het een actieve inzet betekenen in het parochiële leven, voor een derde kan de liefde tot Christus zich op de eerste plaats uiten in een dienende functie in het gezin. Maar hoe die concrete inzet ook zijn kan, zij komt als in een brandpunt samen in het woord van Jezus tot Petrus: ‘Toen ge jong waart, deedt gij zelf uw gordel om en ging waarheen ge wilde, maar wanneer ge oud zijt, zult ge uw handen uitstrekken, een ander zal u omgorden en u brengen waarheen ge niet wilt.’ Het laatste bewijs van de liefde ligt niet in de actie, in diensten die ik verricht of daden die ik volbreng, maar in het lijden. Je kunt zeer veel goed doen en toch nog jezelf zoeken. Christen is hij die zich door de Heer laat leiden, desnoods tot het kruis, die volhoudt in situaties die hij zelf niet gezocht heeft. Het ‘ja’ tot Christus kan ons verder brengen dan wij zelf gedacht hebben, kan verder gaan dan wij eigenlijk zouden willen. Jezus in alles volgen, dat is het hoogste bewijs van onze liefde tot Hem.