‘s Avonds uitgaan is gezellig. Vooral in het weekend. De week is voorbij. De zorgen kunnen opzij gezet worden. We zijn ‘uit’. We komen op zo’n avond heel dicht bij elkaar terwijl we samen eten en drinken in het licht van wat kaarsen op de tafel. Het gesprek loopt vlot. Er worden zaken opgehaald die op andere tijden verborgen blijven. Het is het moment voor intimiteiten die op een ander ogenblik van de dag bijna onmogelijk zouden zijn. Zo’n avondmaal is een duidelijk geprivilegieerd ogenblik. Het is soms alsof alle afstand tussen ons overbrugd is. Vooral in het evangelie van Johannes is het laatste avondmaal van Jezus met zijn apostelen zo’n moment. Hij wast en droogt hun voeten. Hij spreekt zijn hart uit.
De avond wordt gevolgd door de dag. Na ieder avondmaal is er weer een vroeg ontbijt bij het begin van de nieuwe dag, bij het begin van de nieuwe week. Ontbijten zijn veel moeizamer. De ontbijttafel scheidt vaak de een van de ander. Taken moeten verdeeld worden. Het werk moet worden opgepakt. Verschillen worden weer duidelijk. We verdedigen onszelf tegen anderen. Er is weer de oude afstand van allerhande politieke spelletjes, en de ratrace wordt voortgezet. Het is vooral op zo’n ogenblik dat we ervaren hoe ver we van elkaar af staan. Wat zo veelbelovend scheen laat in de avond, is vaak zo gecompromitteerd vroeg in de morgen.
Dat was ook de ondervinding van Jezus en zijn leerlingen na hun laatste avondmaal. Ze waren zo dichtbij elkaar die avond bij het breken van hun brood en het drinken van hun wijn. Vooral op het allerlaatst, toen het maal eigenlijk al voorbij was, en hij het brood en de beker voor een laatste extra keer rond liet gaan om die eenheid te bekrachtigen: één lichaam, één bloed, en één Geest. Ze stonden zingend van tafel op. Zelfs zijn waarschuwingen waren vergeten.
Ook na die avond was er de nieuwe morgen. Zelfs voor de haan gekraaid had, hadden de meesten hem verraden en verlaten. In het verhaal van deze zondag treffen we Jezus aan het ontbijt met zeven volgelingen. Na de wonderbare visvangst van 153 vissen, en na hem herkend te hebben, zitten ze samen aan een houtskoolvuur waarop Jezus vis aan het bakken was en brood. Hij had hen uitgenodigd: ‘Komt ontbijten!’ Ze waren verlegen, en niemand durfde hem iets te vragen. Wetend dat hij het was, durfden ze hem zelfs dat niet te zeggen. Toen ze gegeten hadden, stelde hij zelf Simon Petrus tot driemaal toe een vraag. Een moeilijke vraag, een vraag die altijd moeilijk is: ‘Houd je van me?’ En op het antwoord van Petrus: ‘U weet toch dat ik van u houd,’ antwoordde hij drie maal: ‘Weid dan mijn lammeren, hoed mijn schapen, zorg voor alle anderen.’ Dat was de taak die hem, en die aan allen die van Jezus houden, gegeven werd bij het gloren van die nieuwe dag bij dat laatste ontbijt.
Volgens de meeste commentatoren hebben de 153 vissen die ze vingen in een net dat niet stuk scheurde, iets te maken met die anderen waarvoor Petrus en wij dienen te zorgen. Hieronymus meende dat 153 stond voor alle bestaande vissoorten. De tekst zou dan lijken op die van de visvangst bij Matteüs 13,47) waar vissen ‘van iedere soort’ gevangen werden. Als dit zo is, dan lopen deze teksten parallel aan de andere zendingsteksten die Jezus ons naliet, waarin steeds gesproken wordt over het uitgaan naar de uiteinden van de aarde, en van het bijeen brengen en houden van allen in de wereld. Het is een opdracht die te maken heeft met Jezus’ liefde. Als van hem houden, dan dienen we ook te houden van al degenen die hij lief heeft, en hun getal is de tienduizenden tienduizendtallen en duizenden duizendtallen.
Bij het herdenkend vieren van zijn laatste avondmaal op het einde van de week is dat een mooie gedachte, die ons niet al moeilijk afgaat rond zijn brood en zijn wijn in het licht van wat kaarsen. Het is dan niet moeilijk om te bidden voor al die anderen rond ons, zelfs voor hen die zonder eten, zonder huis, zonder land, en zonder toekomst zijn. Met dat laatste avondmaal hadden ook zijn leerlingen niet zo’n moeite. Bij dat laatste ontbijt lagen de zaken anders. Daar werden taken verdeeld. Petrus kreeg zijn taak, en wij onze opdracht.