Hem achterna

C-cyclus · Kersttijd · Epifanie · wit

Drie woorden springen naar voren in het tweede hoofdstuk van Matteüs.
Het eerste woord is: ster. Aan sterrenbeelden en tv-sterren kun je jezelf vergapen in overgave of in jaloezie. Je kunt je blindstaren en vervolgens in onmacht verzinken. Een ster kan je vernederen zonder dat je het zelf in de gaten hebt. Maar kennelijk kan een ster - jóuw ster, jouw allereigenste puntje van licht en inspiratie - je ook in beweging zetten, je verleiden tot een zoektocht, heilzame onrust brengen en zelfs vervulling. Les van de wijzen en hun ster: vergaap je niet, zoek en je zult vinden.
Het tweede woord lijkt erop: droom. In een droom kan je vluchten, kun je ontsnappen aan de harde werkelijkheid. Als je dan wakker wordt blijf je liefst nog even liggen, bang voor het koude licht van de morgen. Of: een droom bindt je juist vast aan de realiteit. Vasalis heeft eens geschreven: ‘Ik droomde in de oorlog dat het oorlog was’. Geen erger droom dan zo een: als je wakker wordt blijkt de nachtmerrie nog wáár te zijn ook; alle moed vloeit weg, je komt helemaal niet meer overeind. Maar ook een droom kan anders werken: kan vrijplaats bieden die vertrouwen geeft, kan een perspectief openen in een dichtgeplakt bestaan, kan iets van vrede geven zelfs. Een vriend van mij, die tegen de veertig loopt en voor het eerst vader wordt, droomde dat hij op de top van een heuvel stond. Voor zich zag hij een zwart gat van één bij twee meter, maar achter zich hoorde hij opwaarts trippelende voetjes. Vanaf dat moment - zegt die vriend - werd zelfs de dood acceptabel. In het Matteüsverhaal brengen dromen de wijzen op een nieuw spoor, en zetten zij Jozef telkens opnieuw aan tot actie: opstaan en vertrekken. Les van hun dromen: luister goed, zelfs in je slaap, dan zul je het redden, dan kun je vooruit.
Het derde woord dat telkens terugkomt in het verhaal is: gaan. Vertrekken, verder reizen, doorgaan. Weer die dubbelheid. Je kunt op de vlucht slaan, weghollen van jezelf: steeds verder van huis, vervreemd raken. Je verzandt, je loopt hopeloos vast, een en al gemiste kans. Of je wordt een lege huls, troosteloos meewaaiend met alle winden, eeuwig onvervuld. Maar ‘gaan’ kan ook iets anders betekenen: je trekt weg en zoekt zoals eens Abraham en Sara je eigen weg. Je neemt je lot in handen, van meet af aan. Of je buigt, halverwege, je doelloze vlucht om tot een reis met een bestemming. Je zoekt toekomst, en je vindt mensen naast je. Zoiets overkomt de wijzen; zo vergaat het Jozef met zijn gezin, reis na reis. Herodes niet: die blijft angstig zitten waar hij zit, in het centrum van de macht; en hoeveel doodseskaders hij ook uitzendt, zelf zal hij het leven niet overleven. Les van Israël: pas als je weggaat kom je thuis.

De ster, de dromen, het reizen: ze maken van het vertrouwde driekoningenverhaaltje een vreemd verhaal vol beweging. En al die beweging loopt uit op de herkenning van oude profetenwoorden: ‘Uit Egypte heb ik mij zoon geroepen’, en ‘Hij zal genoemd worden Nazoreeër, zoontje van genade’. Daar komt het op aan.
Jezus van Nazaret wordt zo op zijn plaats gezet: de geschiedenis van Israël binnengetrokken en tot zoon van zijn volk verklaard. Hier wordt hij pas echt geboren, lijkt het wel, als asielzoeker, vluchteling, zwerver en gelukzoeker. Uit Egypte is hij geroepen: uit het slavenland, in een wereld vol dreiging en doodsgevaar. Want alleen wie zelf bedreigd is geweest, kan helpman worden, reisgenoot en broer. Wie slaaf geweest is, die kan naaste worden. Wie genade heeft ondervonden, die kan genade bewijzen. Jezus: het verhaal van een overlevende, als tenminste één die ontsnapte aan de massamoord, als tenminste één twijgje van toekomst in een groot dood bos.
Reeds in het kind, schijnt Matteüs te willen zeggen, dagen de namen die hij later zal krijgen: morgenster, droom van een mens, weg ten leven. Zo houden wij hem hoog hier. In de hoop dat wij, allang of alsnog, in pijn en hechtenis, zijn leven vlees en bloed geven, levend hem achterna. Dat hij in mensen mens wordt, in ons.

Zoeken in Preken Online