In de katholieke kerk van het Westen wordt Kerstmis feestelijk gevierd: God wordt mens in een kind van Betlehem, kind van joodse ouders. In de katholieke kerk van het Oosten wordt het feest van Driekoningen nog uitbundiger gevierd. Ze vieren dan dat God mens werd, niet alleen voor de herders van Betlehem, niet alleen voor het volk Israël, nee, als Gods boodschapper voor alle volken van alle windstreken. Dat wil ons het verhaal over de wijzen uit het Oosten vertellen.
Waarschijnlijk is het verhaal van die zoekende wijzen verzonnen door Matteüs. Hij is de enige die het ons vertelt. Noch Lucas, de meest uitgebreide over de kinderjaren van Jezus, noch Marcus of Johannes schrijven er iets over. Als een rode draad loopt door het evangelie volgens Matteüs zijn teleurstelling dat Jezus niet begrepen werd door zijn eigen volk, en dat Hij wel werd gewaardeerd door de zogenaamde heidenen. Al bij zijn geboorte - zo legt Matteüs ons met dit verhaal uit - kwamen mensen uit den vreemde Hem wel zoeken, terwijl zijn eigen mensen Hem niet geloofden. Dus vindt Matteüs hen dom, en noemt hij die vreemdelingen wijs.
Schrijvers uit de eerste eeuwen van het christendom becommentariëren dit verhaal al. Voor hen waren de drie wijzen vertegenwoordigers van de toen bekende drie werelddelen: Europa, Afrika en Azië. Ze zagen in de drie van toen alle volken, kleuren en talen die op zoek waren naar God. In de joodse schriftgeleerden zagen ze alle gelovigen die de leer wel kenden, maar daaraan geen consequenties verbonden. Ze wisten precies waar Jezus volgens de boeken geboren zou worden, maar gingen niet naar Hem op zoek. In Herodes zagen de eerste Bijbeluitleggers alle mensen die macht uitoefenen, en er zelfs niet voor terugschrikken onschuldige kinderen te vermoorden.
In alle perioden van de geschiedenis zijn deze mensen terug te vinden: de zoekenden, de onverschilligen en de machtigen. Zoekers naar God en Jezus zijn er ook nu nog volop: in Afrika bijvoorbeeld groeit het aantal christenen enorm; in Zuid-Amerika zoeken steeds meer mensen naar de bedoelingen van het evangelie voor hun leven en samenleven; in het Oosten, in Rusland, zoeken weer heel veel jonge mensen naar God.
Maar ook de onverschilligen zijn talrijk, vooral in onze gewesten: mensen die gedoopt zijn en gevormd… maar het niet laten merken in hun manier van leven. Velen hebben zich genesteld in de welvaart, zijn niet meer van hun plek te krijgen, en zijn niet meer op zoek naar God en zijn woord dat vlees is geworden. Ze laten zich niet meer door Jezus gezeggen.
En ten slotte zijn er nog overal mensen als Herodes, die anderen hun wil opleggen, mensen ringeloren en klein houden, met maar één zorg: hoe blijf ik de baas?
Drie soorten mensen dus: zoekers, onverschilligen en machtigen. We zien hen om ons heen, en ze wonen alle drie in ons eigen hart. Het evangelie vraagt dat de zoekende de overhand krijgt.
God heeft ons gezocht in een kind. Wij moeten Hem zoeken in dat kind, en Hem onze hulde brengen door - zoals de wijzen - het beste van onszelf te geven aan al wie klein en kwetsbaar zijn.