Voor vele tijdgenoten hebben de godsdiensten een kwalijke reputatie. Godsdiensten hebben vaak hun eigen zaak gediend… en bevochten. Godsdienstoorlogen zijn niet de fraaiste bladzijden uit het geschiedenisboek der mensheid. En dat is meer dan een kritische randbemerking waard. Het is zelfs de meest dringende vraag die elke godsdienst zich moet stellen. Verdedigen en propageren wij niet steeds opnieuw een waarheid die volgens onze gekende bescheiden mening de enig juiste is? Of zullen wij eindelijk recht doen aan onze plicht tot echte bescheidenheid? En toegeven dat onze waarheid op een kleine plek ligt? In Betlehem bijvoorbeeld? Dat is de plaats waar ééns ons wiegje stond.
Daar zullen wij het telkens opnieuw moeten gaan zoeken. We zullen er deemoed leren. In Betlehem wordt immers niet gevochten. Daar wordt geknield. Dat is het eerste en het laatste waarmerk van elke beweging die God wil zoeken en aanbidden. Eéns, heel lang geleden, hebben wijze mensen daar geknield. In gebogenheid erkenden zij wat boven alles waar is. In dat gebaar zullen godsdiensten altijd opnieuw hun waarheid moeten leren. Alleen dat is betrouwbaar. Zo leren godsdiensten God te dienen. Dat is hun meest eigen statuut. Betlehem is de stede.
Betlehem is de stad van het brood, het broodhuis, een broodstad. We zullen het nooit elders mogen gaan zoeken. Onze definitie zal nooit juist zijn als wij niet in het broodhuis ons voedsel willen zoeken. Een Kerk bemiddelt leven of ze bemiddelt niets. Een Kerk knielt in eerbied of ze vraagt dat mensen voor haar knielen. Dan eindigt haar verhaal bij haarzelf. Maar dan biedt ze geen eer aan wat haar te boven gaat. Dan is ze meteen ook zonder enig gezag. Betlehem is de stede.
Waarheid moet een mens leren door op te zien naar wat hem gegeven wordt. Wijze mensen zijn niet in de eerste plaats mensen die weten. Het zijn mensen die vragen stellen. De wijzen uit het evangelie vragen: ‘Waar is de pasgeboren koning der joden?’ Waar zullen wij de plaats vinden waar wij met overtuiging en waarachtigheid door de knieën gaan? Knielen voor echtheid en waarheid is het hoogste wat ons kan worden gegeven. Het geneest ons van de ziekelijke illusie te menen dat wij het eerste en het laatste zijn op onze planeet. Met deze affirmatie vragen we alleen maar aandacht voor de subtiele glorie van het wonder. Voor datgene waarin de mens zijn God kan zien. En dienen.
Wellicht leren we iets van de eerste astronauten? Bij hun landing op de maan hebben ze uit Genesis gelezen: ‘En God schiep de hemel en de aarde.’ Het heelal gaat ons letterlijk te boven. Alles is ons gegeven. Broeder zon en zuster maan gaan ons te boven. Het kind gaat ons te boven. De zieke gaat ons te boven. De arme gaat ons te boven. Ons centrum ligt buiten onszelf. Dat is de grondslag van elke godsdienst en van elke ethiek. Het verhaal van de mens eindigt niet bij de mens. Het eindigt bij de andere mens. Het gelaat van de andere mens toont mij wie ik ben. Wijzen hebben het in Betlehem geleerd. Het broodhuis was hun leerhuis geworden. Ze leerden er te genezen van hun dodelijke ernst. Hun waarheid lag op een kleine plaats.
Dat kan ook mijn Betlehem zijn.