Doop van de Heer C

C-cyclus · Kersttijd · Doopsel van christus · wit

Op het feest van de heilige familie hoorden we Jezus voor het eerst spreken. We hadden Gabriël gehoord en heel het koor der engelen, Maria, de herders, Zacharia en Elisabet, Herodes en de wijzen, en Jozef in zijn dromen en denken. Jezus zelf doorbrak al dat denken en spreken, dat met onzekerheid en verbazing gemengd was. Nog ‘onderdanig’ als een kind werd Hij getekend, maar dat laatste verhaal over de kleine Jezus, dat reeds sprak over een jongen van twaalf, was ook het eerste over zijn openbaar leven. Het evangelie over Jezus’ kindsheid was één groot verhaal van anderen, engelen en mensen, dat profeteerde over de toekomst van dat Kind. Het laatste tafereeltje ervan schoof nog net in die toekomstprofetieën, maar reeds was het de Profeet zelf die sprak, de latere Leraar die reeds de leraren onderrichtte, de Priester die reeds in de tempel optrad, de Zoon die reeds in het huis van de Vader leefde.

Lucas, die over de vinding in de tempel hoorde, doet er ons aan denken dat de kleine Samuël, die in het heiligdom van Silo de priesters hielp, twaalf jaar was volgens de overlevering, toen hij geroepen werd om later profeet en leraar van Israël te zijn. Over die kleine en tegelijk grote Samuël vertelde ons de Kerk, doen ze Jezus, de nieuwe Samuël, in de tempel deed optreden. Maria en Jozef begrepen niet wat Jezus hun antwoordde: ‘Wist ge dan niet dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn?’. Wij begrijpen het niet met hen. Jezus sprak voor het eerst en het eerste woord ging over zijn Vader, die God moest zijn, want zijn huis was de tempel van Jeruzalem. Israël wist dat God voor hen een Vader was. Hun geschriften spraken erover. Maria en Jozef moeten zo tot God gebeden hebben. Maar wat Israël met huiver dacht en uitsprak, leek voor Jezus vanzelfsprekend. Niet alleen zijn afstand tegenover ‘zijn ouders’, maar ook zijn nabijheid tegenover God, was in zijn antwoord hoorbaar. Beiden wekten verwondering. Maria en Jozef konden dat niet begrijpen. Het is Jezus’ geheim zelf.

Wie dat geheim van de vinding in de tempel in zijn hart bewaard heeft, wordt nu bevestigd door de ‘stem uit de hemel’: ‘Gij zijt mijn Zoon, de welbeminde, in U heb Ik mijn behagen gesteld’. Het evangelie van Lucas gaat open als de hemel. De heilige Geest die over Jezus neerdaalt, ‘in lichamelijke gedaante als een duif’, is Gods liefde die de biddende Jezus antwoordt. De ‘stem uit de hemel’ is de stem van God, die Jezus’ Vader moest zijn, want Jezus is hier de geliefde Zoon.

Ons begrip gaat wat verder, of beter, ons vermoeden wordt bevestigd, over Jezus’ bijzondere eenheid met God, over hun liefde van Zoon en Vader. Hier is meer dan Samuël. Hier is meer dan een profeet, meer dan een leraar of een priester. Hier is meer dan een ‘zoon van Adam’. Hier is, zoals Lucas iets verder zal schrijven, luisterrijk zichtbaar, ‘de zoon van Adam, de zoon van God’.

Lichten die uit de hemel flitsen, engelen en dromen van Godswege gezonden, mensen een heel leven lang in gebed verloren, zoals Simeon en Hanna, die al te lang diep in Gods bedoelingen lazen, dragen Lucas’ eerste profetieën over Jezus, in Nazaret, in Betlehem, in de tempel. Nu gaat de hemel open en met de hemel heel het derde evangelie. De heilige Geest daalt over Jezus neer en iedereen kan de stem uit de hemel horen. We zijn klaar om het verhaal over Jezus te volgen.

Hij zal ons ‘dopen’, ‘met de heilige Geest en met vuur’. De tijd van Jezus is de tijd van Geest en vuur. Telkens een profeet optrad, zoals Johannes, ‘was het volk vol verwachting’. Nu is de Messias daar. Een ander moet niet meer verwacht worden. Verder moet niet meer gezocht worden. Een uitvlucht kan niet meer gevonden worden. Na het doopsel van Jezus ligt zijn verhaal open. Volg het en ge zult de Geest ontvangen. Ge zult als met vuur uw oordelen zuiveren. Volg het en ge zult leven. De hemel is geopend.

Zoeken in Preken Online