In de liturgie van de kerk zitten er maar een paar weken tussen Jezus’ geboorte en zijn doop in de Jordaan. In werkelijkheid waren het dertig jaar, waarover ons nauwelijks iets bekend is. En toch kun je met een zeker recht zeggen dat die jaren de belangrijkste van zijn leven zijn geweest. Immers, de dingen die Hij later verkondigde, zijn manier van leven, zijn spreken over God en zijn omgaan met mensen, dat alles moet Hij thuis hebben opgedaan; daar moet Hij de mens zijn geworden over wie wij nu nog spreken. Thuis, van zijn ouders, heeft Hij leren vertrouwen op God; en daar ook moet Hij hebben leren houden van mensen. In die jaren is zijn visie gegroeid op de toekomst en de weg daarheen.
Voordat Hij met zijn gedachten naar buiten wilde treden, liet Hij zich dopen door Johannes. En tijdens dat gebeuren - lezen we bij Lucas - scheurde de hemel open, en klonk er een stem: ‘Jij bent mijn liefste Zoon; in Jou heb Ik welbehagen’. Dat wil zeggen: Jij bent een mens naar mijn hart.
Eigenlijk zegt God dat tegen iedere dopeling, ieder kind dat ouders laten dopen: Jij bent mijn liefste zoon, mijn liefste dochter. Maar een mens worden ‘in wie God welbehagen heeft’, vraagt een leven lang om inzet.
Jesaja vertelt al waarom Jezus een mens was naar Gods hart: ‘Hij roept en schreeuwt niet, zet geen grote mond op tegen kleine mensen; het geknakte riet zal hij niet breken, de kwijnende vlaspit niet doven. Hij zal gerechtigheid doen zegevieren’.
Als wij ook zo leven, met mededogen voor de zwakken, niet kapot maken wat er al slecht aan toe is, het geknakte riet dus niet breken, maar helen, als wij gerechtigheid het laten winnen van oneerlijkheid, zijn ook wij mensen naar zijn hart.
Zo’n mens word je niet vanzelf. Zo iemand kun je alleen worden als je in je kinderjaren en in je jeugd ouders en andere lieve mensen om je heen hebt gehad die je voorgingen in vertrouwen op God en in liefde voor mensen. Een goed christen kun je alleen worden als je in je jonge jaren mensen om je heen hebt die leven in zijn geest, warme mensen, aangestoken door zijn vuur. Ik doop u - zegt Johannes - met water, maar Hij die na mij komt, zal u dopen met heilige geest en met vuur.
Ik voel me nogal eens een Johannes de doper. Ik doop namelijk alleen met water, en ik zeg bij die doop: Dit kindje is een kind van God. Maar wil het een mens worden zoals God mensen bedoeld heeft, een mens in wie God echt welbehagen heeft, aan wie hij plezier beleeft, dan zullen de ouders dat kindje moeten dopen met zijn Geest. Ik bedoel daarmee het volgende. Thuis zal het kind ondergedompeld moeten worden in een christelijk leefmilieu. Thuis zal het de Geest van Jezus moeten kunnen opdoen, geloof in God en liefde voor mensen moeten meekrijgen. Wat wij hier bij de doop doen, is een gebaar. En het is geen loos gebaar als de mensen rondom dat kind leven in Gods Geest.
Die jongen van Nazaret was al lang vergeten, als Hij geen ouders had gehad die hem waren voorgegaan in geloof en in liefde voor mensen, vooral voor mensen die als riet geknakt zijn…