Geboorte in onze wereld is op genade of ongenade overgeleverd worden. De mens treedt in de wereld en kan helemaal niets; in alles afhankelijk van hen, die hem ontvangen… of niet ontvangen. Op genade of ongenade! ‘Hij kwam in het zijne,’ zo lezen wij, maar ‘de zijnen ontvingen Hem niet.’ En Hij is waarlijk niet de enige. Kijk maar rond tussen de feiten van elke dag! Ga mee naar Afrika, naar Amerika; ga kijken in Azië, noord-zuid, oost-west.
Genade of ongenade? Natuurlijk komen er ook mensen in de wereld die het licht mogen zien. Zij worden opgevangen door lieve mensen. Die helpen hen om te groeien en te bloeien. Ze worden groot en nemen het goede mee van thuis. Zij gaan ermee de wereld in en vangen op hun beurt anderen op, die kwetsbaar zijn en overgeleverd ‘op genade of ongenade’.
Maar heel vaak wordt het niets. Vandaag willen we heel bijzonder denken aan al die kinderen, die van honger sterven, kinderen, die tekort komen aan liefde, zodat ze zich verharden vóór hun tijd; kinderen van gescheiden ouders; kinderen, die teveel het ‘hebben’ en te weinig het ‘zijn’ in hun omgeving tegenkomen.
Zo vaak wordt het niets! Op genade of ongenade. Iemand vroeg: Waarom gaat God toch zo rauw met mensen om? Moeten we die vraag wel aan Hem stellen? Met Kerstmis luidt de boodschap: God komt in de wereld en houdt van ons. Maar dat heeft Hij wel moeten weten! Veel mensen zeggen tegen me, vooral in deze tijd: ‘Pastoor, mij zul je bij jou niet zien, want ik vind Kerstmis de grootste leugen, die er maar is! Kerstmis zegt: God houdt van mensen! Maar wat zie ik: ongenade!’ En dan vertellen ze hun levensverhaal. Ik kan ze geen ongelijk geven: het is een aaneenschakeling van ellende. En zij vragen: waarom? We hebben toch ons best gedaan?
Er is een boekje op de markt, geschreven door Harold Kushner: Als het kwaad goede mensen treft. De schrijver is vader van een jongen die op 14-jarige leeftijd gestorven is. Hij wist al, toen zijn kind nog heel jong was, dat hij niet oud zou worden. Zijn zoon leed aan een slopende ziekte. In zijn boekje vertelt hij over zijn bitterheid: hij is woedend op God. Waar blijf je nu met je barmhartigheid? Hij kon niet meer geloven en is toch gekomen tot getuigenis, precies als Johannes de Doper. ‘Er kwam een mens, van God gezonden, Johannes was zijn naam.’
Deze verdrietige man getuigt van zijn geloof in God. Allerlei mensen ondervroegen hem: hoe komt dat nou? Waarom ben je weer gaan geloven? En Hij zei dit: ‘Toen ik mijn geloof in een almachtige God, die mij moest sparen voor rampen, die moest voorkomen dat ik zou lijden, toen ik het geloof in zo’n God aan de kant had gezet, toen pas kon ik weer vooruit! Toen hoefde ik het niet meer op een akkoordje te gooien met Hem, toen hoefde ik geen beloning meer te ontvangen voor mijn goede daden; want ik wist, dat hij mij geen andere beloning kon geven dan een God, die in een kribbe ligt. Pas toen ik zag, dat God zichzelf in de kribbe legt; mens wordt met alles wat daarbij hoort, toen ik begreep, dat God zich vrijwillig beperkingen heeft opgelegd en mij niet kan sparen voor dood en ondergang, pas toen kon ik weer geloven. Want toen begreep ik: zó wil Hij met mij meegaan! Zo wil Hij mij liefhebben als een vriend, een maatje op mijn levensweg.’ Helpt dat dan? ‘Jazeker,’ zei hij, ‘dat helpt.’
Als mensen, zo beperkt als ze zijn, met andere mensen meegaan, helpt dat. God zelf doet het ons voor. Hij wil niets bijzonders zijn! Wat heeft dat kind in die kribbe nou voor bijzonders? Machteloos is het, totaal! Zó machteloos ben je vaak, wanneer je met mensen mag meegaan. Maar doe het! Doe het, want je zult merken, dat we door het leed heenkomen. Je zult merken, dat we in God geborgen raken, meer en meer. De vader van die veel te vroeg gestorven jongen eindigt zijn verhaal zo: door al het leed heen heb ik twee zekerheden overgehouden. De eerste is: God zal ons niet sparen voor wat ons moet overkomen vanwege het leven, dat zo beperkt is en vaak zo beschadigd wordt. Daar ben ik zeker van. En de tweede zekerheid is deze: wanneer het lijden toeslaat, dan is Hij er! Dan gaat Hij met mij mee. Dan omkleedt Hij mij met zijn genade op genade. Dan zal Hij mij laten weten en voelen: ‘Hier ben Ik.’ Hier ben Ik voor jou, en Ik houd je vast; Ik haal je er door, dat is mijn belofte! Op een andere manier kan Ik je niet liefhebben.
We zeggen: Zalig Kerstfeest tegen elkaar en we geven elkaar de hand. Houdt die hand vast. Want het is de reddende hand van God zelf, die -kwetsbaar en klein ons er door haalt!
Zó wordt de duisternis omgevormd tot licht en Gods geestkracht maakt ons tot nieuwgeborenen. En we zullen weten: genade op genade hebben we ontvangen, want we zijn uit God geboren.