Wanneer wij verhalen uit het evangelie lezen of horen, moeten wij er ons van bewust zijn dat die verhalen het eerst verteld werden in de eerste christengemeenten, kort na de dood van Christus en wel dikwijls in een of andere noodsituatie. Dat zal ook wel het geval geweest zijn met het verhaal dat wij zojuist gelezen hebben: de wonderbare visvangst.
Met al de kracht van hun jong enthousiasme hadden de aanhangers van de jonge Kerk zich op hun taak geworpen: de Blijde Boodschap te verspreiden: stuurloze mensen de sleutel bezorgen van het geluk, hun verkondigen dat God, ondanks alles, een Vader is die voor hen zorgt, de harteloze maatschappij waarin zij leefden, verbeteren door de praktijk van de naastenliefde enz.
Maar na enige tijd komt de ontgoocheling: er wordt niet naar hun stem geluisterd, hun Blijde Boodschap wordt door de wereld niet aanvaard, ze worden beschouwd als naïevelingen, als dromers; in veel gevallen worden ze gehouden voor subversieve elementen, gevaarlijk en opstandig en zij worden voor de rechter gebracht en de straf was toen bijna altijd doodstraf: het martelaarschap.
En het gebeurde ook al dat er in eigen rangen onenigheid kwam die tot misverstanden en vetes dreigde uit te groeien. En zo ontstond er aarzeling en twijfel. Hadden zij toch op het verkeerde paard gewed? Er begon iets in hen te leven van de man die alles wil opgeven. De jonge Kerk verkeerde in een crisis.
Wij kunnen ons voorstellen dat de evangelist Lucas of een van de leerlingen van Christus in zo’n situatie het verhaal van de wonderbare visvangst verteld heeft. De leerlingen hebben de hele nacht gezwoegd, maar niets gevangen. Maar tegen hun overtuiging en tegen hun beroepservaring in, geloven zij het woord van Christus en gehoorzamen zij als Hij zegt: “Werp uw netten uit voor de vangst.” Ze deden het en vingen zoveel vis dat hun netten dreigden te scheuren. Ze moesten er nog een ander bootje bijhalen en beide bootjes werden tot zinkens toe gevuld, zegt de verteller. Zo’n verhaal gaf de jonge Kerk weer moed om door te gaan, om te geloven in het woord van Christus. En wat ze in hun naïef geloof niet hadden durven hopen, gebeurde: hoe stuntelig hun gepraat ook was, de mensen luisterden, hoe zwak en bang ze zelf ook waren, toch sloten mensen zich bij hen aan, er waren ontroerende bekeringen, ondanks hun eigen onwetendheid en gebrek aan ontwikkeling. En de kleine kern werd een wereldkerk.
Zo is het verhaal van de wonderbare visvangst ook een verhaal voor onze huidige Kerk. De Kerk in onze landen verkeert ook in een crisis. Maar ook in onze tijd moet de Kerk geloven in het woord van Christus: werp uw netten uit voor de vangst. Als onze bisschoppen, als onze priesters, als alle christenen voldoende geloof hebben in het woord van Christus, dan zal de Kerk gelouterd uit deze crisis te voorschijn komen.
Maar het verhaal van de wonderbare visvangst is ook een verhaal voor ons eigen leven. In ieder mensenleven zijn er ogenblikken dat je alles zou willen opgeven. Het geloof in het woord van Christus kan je dan optillen boven je eigen krachten. Natuurlijk bant dat geloof in het woord van Christus niet alle hardheid, niet alle narigheid uit ons leven. Natuurlijk verzekert het ons geen zorgeloos bestaan. Eerder het tegendeel: God geeft ons de noten, maar Hij kraakt ze niet voor ons. Het geloof is geen toverstaf.
Wel kan dat geloof in het woord van Christus het wonder bewerken dat een beproefd mens zin blijft vinden in zijn bestaan; het wonder dat hij mild blijft te midden van gebrek aan begrip vanwege zijn omgeving; het wonder dat hij zich niet van de wijs laat brengen door tegenslagen, maar dankbaar vertrouwend blijft omgaan met zijn medemensen. Geloven in het woord van Christus is niet bang zijn voor de toekomst, is wedden op die toekomst, zelfs over dood en graf heen.