We kennen Jezus’ beroep: Hij was timmerman. Maar Hij oefende dat vak niet uit, want Hij trok rond als leraar. Al weldoende, voegt het evangelie eraan toe. Aan enkele vissers zei Hij dat ze Hem moesten volgen, maar van visserij wist Hij vermoedelijk niet veel af.
Naar verluidt konden de vissers rond het meer van Gennesaret behoorlijk hun brood verdienen, al werd niet elke vaart met succes bekroond. Jezus treft zijn leerlingen aan net nadat ze een hele nacht gezwoegd en niets gevangen hebben. Het valt aan te nemen dat ze in geen al te beste stemming zijn. Hij stapt niettemin in hun boot en vraagt hun een eind van wal te steken, zodat Hij onderricht kan geven. Dat doen ze blijkbaar gewillig. Maar als Hij beveelt nog wat verder te varen en de netten uit te gooien, komt toch een beleefd protest. De kans bestaat dat Petrus in zijn achterhoofd denkt: ‘Wat haalt Hij in zijn hoofd, Hij kent niks van visserij.’ Zijn antwoord heeft iets van: ‘Ja, baas,’ maar dan wat beleefder: ‘Meester, als U het zegt zal ik de netten uitwerpen.'
Jezus mengt zich inderdaad in de beroepsbezigheden van zijn leerlingen. Die hebben dus eigenlijk alle reden om, vanuit hun beroepservaring, op te merken dat zijn bevel weinig zin heeft en geen baten zal afwerpen. Toch doen ze wat Hij vraagt, al is het - zo vermoed ik - met tegenzin. Dan gebeurt het wonder: een vangst die zelfs met twee boten amper aan wal gebracht kan worden. We staan er wat tegenaan te gapen. Goed dan, dat is dus een mirakel.
Het verhaal heeft vermoedelijk een dubbele bodem. De boot zou wel eens het beeld van de Kerk kunnen zijn en de vangst een beeld voor de toeloop van mensen. Maar daar ligt mijns inziens niet de pointe. Die ligt veeleer in de tegenstelling tussen wat er gebeurt (of niet gebeurt) als Jezus niet mee is in de boot, en wat er gebeurt als Hij wel mee is. Nu zijn er allerlei redenen om Hem niet mee te nemen, bijvoorbeeld omdat Hij van vissen niets afweet. Een stapje verder: met heel wat van onze bezigheden heeft Jezus niets te maken. Hij is een rondtrekkend prediker. Dat is zijn beroep. Het mijne is een heel ander en daar kent Hij niets van. Enigszins onwillig doen de leerlingen toch maar wat Hij opdraagt. En dan gebeurt er wat: in dit geval een wonderbare vangst. De pointe is dus: neem je Hem mee in de boot of niet? Mag Hij zijn zegje hebben in je alledaagse bezigheden of niet? Ook al kan het best gebeuren dat Hij dan dingen vraagt die in onze beroepsbezigheden niet ter zake lijken. Ook al moet je dan soms zeggen: ‘Goed, ik doe het dan toch maar, omdat U het vraagt, op uw woord.’ Wat er dan gebeurt? Dat valt af te wachten. Maar als Hij niet in de boot mee mag en zijn woord niet mag zeggen, gebeurt er alleszins niets. En zeker geen wonder.
Na dat gebeuren beseft Petrus met wie hij te doen heeft. Hij spreekt Jezus aan als ‘Heer’. Dat is de juiste aanspreking.