Op uw woord

C-cyclus · Tijd door het jaar · 5e zondag · groen

De tweede volgeling van Franciscus heette Bernardus. Hij was een geleerde, in Bologna gepromoveerd in het burgerlijk en kerkelijk recht. Hij was tamelijk rijk, en in ieder geval een vooraanstaand man. Hij was zeer kritisch, en ging nooit over één nacht ijs. Franciscus en hij kenden elkaar uit hun lichtzinnige jeugdjaren. Er knaagde iets in hem dat hem niet met rust liet.
Op een avond in april ontmoette hij heel toevallig Franciscus. Hij nodigde hem uit om in zijn villa de maaltijd te gebruiken. Franciscus bleef die nacht daar slapen. Voor Bernardus met zijn kritische houding was dit de gelegenheid om Franciscus ook ’s nachts te observeren. Hij liet een bed voor Franciscus op zijn kamer erbij zetten. De hele nacht door hoorde hij Franciscus zachtjes roepen: ‘Mijn God, mijn God’. Kennelijk bad hij met grote vurigheid.
’s Ochtends vertelde hij Franciscus dat hij die nacht besloten had de wereld te verlaten, en zich bij hem aan te sluiten. Maar Franciscus zei hem: ‘Laten wij eerst onze Heer Jezus om raad vragen’. Ze gingen naar de dichtstbijzijnde kerk, vierden er de mis mee, en verzochten de priester op goed geluk het evangelieboek te openen, en zijn vinger bij een vers te houden dat met Gods genade een boodschap zou blijken te bevatten. Dat gebeurde.
De woorden die de priester aanwees, luidden: ‘Indien gij volmaakt wilt zijn, ga dan heen, verkoop al wat ge bezit, en geef dat aan de armen; en gij zult een schat in de hemel bezitten’. Ze probeerden het nog eens, en vonden de woorden: ‘Neem niets mee voor onderweg: geen stok, geen reiszak, geen brood, geen geld; en ge moet ook geen tweede onderkleed bezitten’. En bij de derde maal lazen ze: ‘Indien iemand Mij wil volgen, dan moet hij zichzelf verloochenen’. Toen was Bernardus overtuigd, en begon zijn bezittingen te verkopen.

Dit is een hartverwarmende manier van omgaan met de heilige Schrift. Zij geloofden beiden dat God op dat moment tot hen sprak. Dat was voor hen buiten kijf. En eigenlijk moet dat voor ons ook buiten kijf zijn. Het is namelijk een kernpunt van ons geloof. God heeft gesproken tot de mensen.
Wij hoorden namelijk in het evangelie hoe de mensen zich rond Jezus verdrongen om het woord van God te horen. Dat woord deed hen iets. Het deed waartoe het werd gezonden. Het kon de mensen uitzinnig van vreugde maken.
Probeer maar eens te voelen wat die lamme voelde toen Jezus tegen hem zei: ‘Sta op, en loop’. Die lamme nam zijn bed op, en liep. Probeer maar eens mee te voelen met die overspelige vrouw die Jezus hoorde zeggen: ‘Ga, en zondig niet meer’. Wij zien haar later terug, onder het kruis, als een heilige. Of probeer maar eens in te voelen wat die stervende moordenaar ondervond toen hij Jezus hoorde zeggen: ‘Heden zult ge met Mij zijn in het paradijs’. Dat is toch iets dat wij allemaal willen horen?
Als God iets zegt, gebeurt er iets. Tenminste, als er naar dat woord geluisterd wordt! En dat moeten wij gaan doen. Doen we het thuis niet, laten we het dan doen in de kerk. Wij hebben aan Gods woord niets als wij er niet naar luisteren. Sterker nog: wij hebben aan het woord van God niets als wij niet in staat zijn er zo naar te luisteren dat het tot jou gezegd wordt.
Want God heeft gesproken tot de mens. De mens, wie is dat? Dat is een abstractie. Jij bestaat, ik besta. Hij spreekt tot jou en mij. ‘Laten we eerst Jezus om raad vragen’, zei Franciscus. Als wij dat nu eens deden. Dan zegt Hij wellicht: ‘Ga je met je broeder verzoenen’. En als jij of ik dan luisteren, weet je wat er dan gebeurt? Precies, ja. Wij moeten luisteren naar Jezus. Dan hoor je Hem zeggen: ‘Maak je niet te bezorgd. Ik ben er!’.

Franciscus was geen Bijbelgeleerde. Hij wist er waarschijnlijk minder van dan wij. Maar hij wist met de Bijbel om te gaan. Dat heeft hij aan alle Bijbelgeleerden en aan ons geleerd.

Zoeken in Preken Online