Wie in ons huis binnenkomt, staat meteen voor een credo. ‘Ik geloof dat het laatste woord is aan ontwapenende eerlijkheid en onvoorwaardelijke liefde. Een voorlopige nederlaag van de waarheid is nog geen teken dat het kwade het laatste woord heeft.’ Dat is het credo van de weldra zalige (?) Martin Luther King zaliger. Het is een gelovige noodkreet van iemand die zelf een voorlopige nederlaag heeft geleden. Het was een teken dat het kwade het laatste woord niet heeft. Hij was alleen maar opstandig om de opstanding van zijn volk mogelijk te maken. De lezer zal intussen wel begrepen hebben dat deze woorden bij ons waardig zijn ingelijst. Ze zijn een echo van wat Lucas ons schrijft in zijn evangelie vandaag.
Lucas bericht over het einde der tijden dat niet komt en dat toch steeds dreigt. Hij spreekt over oorlogen en onrusten en aardbevingen, over dwaalleraars en over geweldige tekenen aan de hemel. ‘Dat alles moet wel eerst gebeuren, maar het einde volgt niet terstond.’ Daarover zegt Lucas iets wat bij Marcus en Matteüs minder duidelijk te lezen staat. Zij geloven veeleer dat het einde spoedig komt. Lucas heeft echter geleerd uit het verloop der dingen: het einde volgt niet terstond. Hij leert dat de dreiging van de ondergang wel reëel is, maar dat het voor de hoop van de mens geen fatale ondergang betekent. Onze hoop wordt wel beproefd, maar het kwaad heeft niet het laatste woord. Zo leert hij zijn mensen hoe de spanning te dragen en hoe de spanning ook te verdragen is. Dat is een groot geheim. Maar is het ook niet een grote illusie? Vermoedelijk dachten zijn christenen er toen zo over? Als dat waar is, dan voelden de mensen toen al wat wij vandaag nog voelen?
De remedie van Lucas was toen ‘patiëntie’. Wij vertalen dat nogal braaf met het woord geduld. Eigenlijk staat er lijdzaamheid. Dat is sterker. Het betekent bekwaamheid om te lijden, om te verduren. De tijd verduren, dat is Lucas’ advies. Maar vooral, hij leert ons dat mensen daarvoor stevige motieven hebben. Allereerst: de ondergang volgt niet terstond. Dat is één. Twee is dat wij zullen uitgerust worden met taal en met wijsheid. Mensen kunnen de doemdenkers te woord staan. En zeggen met dezelfde Martin Luther King: ik heb een droom, een wakkere droom. Wie buigt voor de dood, erkent in de dood zijn meester… en is meteen zijn slaaf. Die heeft reeds afscheid genomen van het leven. Hij is terminaal patiënt, terwijl hij nog kriekgezond is. Zo komt het einde wél terstond: wij hebben het dan zonder applaus binnengelaten in ons huis. En het zal niet makkelijk wijken.
Daartegen richt zich Lucas. Hij zegt: wie van leven droomt, buigt niet voor de dood. Hij zal weigeren ook maar één gram wanhoop toe te voegen aan de vele wanhoop die er al is. Integendeel, hij zaait hoop en weet dat het vruchtbaar wordt ‘als de lente komt in ‘t land'.
Voor zoiets wil ik de winter wel verduren.