31e zondag door het jaar C - 2001

C-cyclus · Tijd door het jaar · 31e zondag · groen

Zusters en broeders,

Heel Jericho staat op stelten, want Jezus komt, en juist voor Hij de stad binnenging heeft hij een blinde genezen. Nu wil natuurlijk iedereen zien of die blinde, die ze allemaal kennen, want hij zataltijd aan de stadspoort te bedelen, of die wel echt ziet. En ze willen vooral Jezus zien, dat spreekt vanzelf. Het is dus wat trekken en duwen in de smalle straatjes van die oude stad, want elkeen wil de beste plaats. En de burgemeester heeft in de vlugte de gemeenteraad bijeengeroepen, want Jezus moet feestelijk ingehaald worden.

Zelfs Zacheus, de belangrijkste belastingsambtenaar van de stad is onderweg. Vrienden heeft hij niet, alleen maar heel veel geld en nog veel meer vijanden. Want belastingsambtenaar, dat was toen iets anders dan nu. De Romeinse bezetter verkocht de belastingen aan wie er het meeste voor bood. Die moest aan Rome alleen het vooraf

vastgestelde aandeel betalen, en alles wat hij overhield mocht hij voor zichzelf houden. Hoe meer hij dus deed betalen, hoe meer hij zelf had, en wie niet kon of wilde betalen kreeg de Romeinse soldaten op zijn dak. Zacheus, dus een jood aan de kant van de bezetter, deed zijn werk blijkbaar h‚‚l grondig, anders was hij niet zo rijk geworden. En nu wou ook hij absoluut Jezus zien. Waarom? Dat wordt niet gezegd. Misschien was hij gewoon nieuwsgierig. Dus zoekt ook hij zich een plaatsje, maar tussen al dat volk gaan staan, dat durft hij niet, want hij is niet al te groot, dus zal hij allicht hier en daar een venijnige trap krijgen, en ze zullen hem zeker weer uitschelden voor vuile collaborateur. Bovendien, in zo’n massa is een mes gauw getrokken, en de Romeinse soldaten kunnen niet overal tegelijk zijn om hem te beschermen. Dus kruipt hij in een vijgenboom langs de weg, zo’n boom met grote bladeren. Daar ziet niemand hem zitten, maar hijzelf kan wel alles en iedereen in het oog houden. Veiligheid voor alles, denkt hij, en hij zit nog goed ook om Jezus te zien.

En daar is Jezus al, met naast zich de blinde die inderdaad genezen is en niet van Hem is weg te slaan. De massa is niet meer te houden. Jezus is een grote profeet, daar zijn ze nu wel zeker van. En Zacheus, die zit daar moederziel alleen in zijn boom, en eigenlijk zou hij beneden willen zijn, tussen al die mensen, en hij zou ook willen juichen en in zijn handen klappen en Jezus aanraken, maar ja, dat gaat nu eenmaal niet. En dan wordt hij lijkwit, want Jezus kijkt hem ineens pal in zijn ogen. Nu gaat het komen, denkt hij, nu gaat ook Hij me uitschelden dat het niet meer mooi is. Dat wordt mijn dood. En ’t is precies van heel ver dat hij Jezus hoort zeggen: “Zacheus, kom maar vlug naar beneden, want vandaag moet Ik bij u te gast zijn.” Zacheus weet niet wat hij hoort, en ook de omstaanders geloven hun oren niet. Hoe zoudt ge trouwens zelf zijn.

Stel u maar eens voor dat Jezus tijdens de oorlog ergens naar hier was gekomen, naar Gent of Leuven bijvoorbeeld, en dat Hij zijn intrek had genomen bij zo’n verrader, bij iemand die met de Duitsers meedeed. Ge zoudt nogal wat meegemaakt hebben. En in Jericho was dat niet anders. De burgemeester en het volk vinden het schandalig wat Jezus doet, en in plaats van Hem toe te juichen, beginnen ze Hem uit te schelden. En Petrus is ronduit woedend. “Het zag er zo goed uit, maar nee, Hij moet het weer eens verknallen,” mompelt hij. Thomas vraagt nuchter: “Jezus, moet dat nu echt?”, en de zachtmoedige Johannes denkt: “Ik begrijp Hem minder en minder.” Er is er maar eentje gelukkig, en da’s Zacheus. Ineens heeft hij geen schrik meer. Hij springt uit zijn boom en loopt als een hazewind naar huis, want alles moet piccobello in orde zijn tegen dat Jezus komt.

En als Jezus aankomt, ontvangt Zacheus Hem vol blijdschap, en met tranen in zijn ogen zegt hij: “Jezus, al jaren zegt niemand nog een woord tegen mij, iedereen haat mij als de pest. En dan komt Gij, en in plaats van me mijn vet te geven, spreekt Ge mij aan met mijn naam, en Ge moogt me geloven of niet, dat is voor het eerst in jaren dat iemand me bij mijn naam noemt, en dan zegt Ge ook nog dat Ge bij mij te gast wilt zijn. Jezus, ik weet niet waar ik het verdien, maar ik was niemand, en Gij hebt iemand van mij gemaakt. Ik was een nul, en Gij hebt van mij een mens gemaakt. Welnu, Jezus, dan ben ik van nu af aan ook een mens.” En blijkbaar heeft Jezus’ optreden in Zacheus een wonder verricht, want hij vervolgt: “Vandaag nog gaat de helft van mijn bezit naar de armen, en wie ik heb afgeperst, krijgt het vierdubbele terug. Bedankt, Jezus, voor alles. Maar ‚‚n ding wou ik nog vragen: Waarom doet Gij zo met slechteriken gelijk ik?”

En Jezus zegt - en Hij zegt dat niet alleen tegen Zacheus maar ook tegen ons: “Wel, Zacheus, da’s heel eenvoudig: Ik ben niet gekomen om de dieperik in te duwen, wel om moed te geven, om op te richten, om te redden.”

Laten we dat ook doen, zusters en broeders. Niet elkaar te lijf gaan met woord en daad, en zeker niet met haat en geweld. Niet nog meer vernielen wat al niet stevig staat, maar steunen en stutten, en bevestigen. Wie weet welke wonderen er dan gebeuren. Zoals met Zacheus. Amen.

Zoeken in Preken Online