Bij het beluisteren van het evangelie voelen we sympathie voor de nederige tollenaar en afkeer voor de hoogmoedige farizeeër.
In Jezus’ tijd moet deze parabel wel erg provocerend overgekomen zijn. Een farizeeër was immers hooggeacht bij het volk. Het waren een soort vooruitstrevende leken, die naast de 613 voorschriften van de Thora, zich ook nog hielden aan de mondelinge wet of Talmoed. Ja, een farizeeër deed zelfs meer dan de wet voorschreef. Hij vastte twee maal per week, hoewel de wet maar één dag vasten per jaar eiste. Hij gaf tienden aan de Tempel van alles wat hij kocht, daar waar anderen slechts van bepaalde goederen tienden afstonden. De meeste farizeeërs waren dan ook prachtkerels.
De tollenaar, van wie wij nu een lieven jongen maken, was in Jezus’ tijd niets meer en niets minder dan een landverrader. Hij was een collaborateur die niet alleen voor de Romeinse bezetter belasting inde, maar ook veel geld in eigen zakken liet verdwijnen. Kortom: een grote profiteur en dief.
Hoe komt het dan dat Jezus de waardenschaal op zijn kop zet?
Jezus maakt dat duidelijk door een gebedshouding. Kijken we eerst naar de farizeeër: hij staat vooraan in de tempel, met opgeheven hoofd, en zijn gebed staat bol van de ik-zinnen: “Ik ben niet zoals de rest. Ik vast veel. Ik geef grote aalmoezen”.
En wat doet de tollenaar? Hij blijft achteraan staan, hij durft zijn hoofd niet opheffen en hij hoopt op Gods genadigheid.
De farizeeër wordt dus niet door Jezus veroordeeld om zijn farizeeër zijn, maar om zijn zelfgenoegzaamheid. Hij is zo voldaan dat hij op de anderen neerkijkt. En in heel het evangelie gaat het juist om de nederigheid. " Zalig wie nederig is", horen we in de Bergrede. En tijdens het laatste avondmaal wast Jezus de voeten van zijn leerlingen. Alleen wie nederig is, komt tot echt respect voor de anderen, en is tot naastenliefde in staat.
Ik zou nu aan u en mijzelf de vraag kunnen stellen : gelijken wij het meest op de farizeeër of op de tollenaar? Ik denk echter dat dit geen goede vraagstelling is. Het gaat niet om twee categorieën van mensen, maar om twee ingesteldheden.
Ik ben ervan overtuigd dat beide houdingen in ieder van ons aanwezig zijn. Wij moeten eerlijk durven toegeven dat wij iets van beide figuren in ons meedragen.
Voor onszelf, diep in ons hart, zijn we misschien meestal de tollenaar, mar voor de buitenwereld spelen we meestal de rol van de farizeeër. Hoewel we maar al te goed beseffen dat we zelf veel gebreken hebben, kijken we te vaak neer op de anderen. Het evangelie nodigt ons dan ook uit om wat meer zelfkritiek aan de dag te leggen en Jezus ‘ woorden in ons hart te overwegen: " Ieder die zichzelf verheft zal vernederd worden. Maar wie zichzelf vernedert, zal verheven worden".
Maar het evangelie van vandaag houdt niet alleen een appel in om iets te veranderen aan ons omgaan met elkaar, maar ook aan Godsbeeld. De farizeeër verwacht van God erkentelijkheid. Hij doet wat moet en zelfs meer dan dat en daarom vindt hij het vanzelfsprekend dat God hem beloont voor zijn goede daden. De tollenaar daarentegen weet dat hij een zondaar is en hoopt op Gods vergiffenis, op een nieuwe kans. Het evangelie vraagt ons dus niet op te scheppen over onze goede daden, maar God dankbaar te zijn voor de talenten die hij ons gegeven heeft. Het komt ons niet toe om zelf God te spelen: ik doe goed, dus ben ik goed, dus verdien ik de hemel.