30e zondag door het jaar C (2001)

C-cyclus · Tijd door het jaar · 30e zondag · groen

Veronderstel: ik ben een goeie brave katholiek, ik ga elke zondag naar de kerk, anders heb ik geen zondag. Ik vervul al mijn christelijke plichten. Ik bidt best veel en geef aan allerlei collectes. En dan komt er iemand naar mij toe en die zegt tegen me: Het mag wel goed bedoeld zijn, maar God heeft geen boodschap aan jou, Hij heeft liever te doen met een drugsgebruiker, of met een asielzoeker. Dat is shockerend! Dan zeg ik ook meteen: Dat slaat nergens op. Dat is onzin.
Dat overkwam die brave farizeeër in de tijd van Jezus. Hij deed zijn uiterste best om de wet van Mozes stipt te onderhouden, hij deed zelfs meer dan hij verplicht was. Hij was best tevreden met zichzelf, en de mensen respecteerden hem. Hij was God heel dankbaar dat hij zo was en niet als die tollenaars. Met die landverraders en afpersers wilde hij niets te maken hebben.
Dan komt die eigenwijze rabbi Jezus uit Nazaret en die beweert dat God liever te maken heeft met die tollenaar dan met hem. Dat is shockerend. Dat slaat toch nergens op. Dat is toch grote onzin.
In het verhaaltje van de brave farizeeër en de slechte tollenaar zet Jezus zoals zo vaak de zaken weer eens op hun kop en dat kan heel schokkend zijn, toen en nu. Maar Jezus heeft een bedoeling met zijn forse uitspraken, voor toen en voor nu. Juist als vorige week lijkt het in deze tekst over bidden te gaan, en dat doet het ook wel maar Jezus’ zijn verhaaltje is vooral bedoeld om de levenshouding en de vroomheid van de farizeeën aan de kaak te stellen en te ontmaskeren als een valse levenshouding, en eigenlijk ook als een stuk zelfbedrog.
Het gaat in feite om gerechtigheid, rechtvaardigheid, en dan zit ik meteen op een wat glibberig terrein want deze termen betekenen in onze tijd iets anders dan in Jezus’ tijd en dat maakt het nogal verwarrend.
Als wij praten over gerechtigheid en rechtvaardigheid dan gaat het over zaken waar je recht op hebt, die je verdiend hebt. Dan gaat het om een rechtvaardig loon voor de arbeiders. Dan gaat het om een rechtvaardige uitspraak van een rechter, die iemand een straf oplegt voor begane misdaden. Dat is ook krijgen wat iemand verdiend, zij het dan in negatieve zin. In deze zin werd en wordt God ook vaak gezien, als een rechtvaardige God d.w.z. als een rechter die iedereen geeft wat hij verdient: de hemel aan wie goed gedaan heeft, de hel aan wie kwaad gedaan heeft.
De bijbelse betekenis van gerechtigheid en rechtvaardigheid is echter een andere: daarbij gaat het niet om waar iemand recht op hebt maar veel meer om wat recht is, wat terecht is, in de zin van wat goed is. Bijbelse gerechtigheid is in Gods welbehagen staan en dat sta je als je het goede doet, en dat heeft altijd ook te maken met medemensen: dat je zo gedraagt dat een ander er beter van wordt. God dienen is immers altijd mensen dienen, dat kun je niet losmaken van elkaar en dat wordt nogal eens vergeten, toen in Jezus’ tijd en ook nu in onze tijd.
Farizeeën hebben bij ons een slechte naam, het is praktisch synoniem met schijnheiligen, toch is dat geen goede typering: het waren echt brave mensen, die zo goed mogelijk probeerden te leven volgens hun opvattingen. Ze maakten in Jezus ogen echter een heel grote fout: Ze vonden dat ze Gods welbehagen verdiend hadden, er recht op hadden. door hun stipte onderhouden van alle godsdienstige regels en regeltjes. Maar ten eerste heeft niemand recht op Gods welbehagen ten tweede kom je er alleen voor in aanmerking als je doet wat recht is, goed is: namelijk medemensen dienen, zorgen dat zij het goed hebben.
Die tollenaar uit Jezus’ verhaaltje stond wel in Gods welbehagen, niet om hetgeen hij gedaan had, tollenaars waren berucht om hun afpersing, maar om zijn besef van eigen tekortkomingen. Hij besefte maar al te goed dat hij geen enkel recht had op Gods barmhartigheid, daarom kon hij alleen maar bidden: Heer, wees mij genadig. En hij ging gerechtvaardigd naar huis. En naar hem toe was God een rechtvaardige God in de bijbelse betekenis: namelijk een barmhartige en vergevingsgezinde. Maar bij die zelfgenoegzame farizeeër kon God geen gerechtigheid doen, want hij kreeg er niet eens de kans voor.
Wat betekent dit verhaal voor ons? Ik denk twee dingen. Ten eerste dat we onszelf niet te gauw schouderklopjes moeten geven, maar dat we bescheiden moeten blijven, ook al hebben we zelf het gevoel dat we het nog niet zo slecht doen. Dat we daarom ook nooit op anderen mogen neerkijken. Ten tweede dat voor God onze goedheid, onze gerechtigheid, niet ligt in het onderhouden van alle regels en geboden maar wel in hetgeen we doen voor de medemens, in een houding van welwillendheid en dienstbaarheid naar de ander toe.

Zoeken in Preken Online