De Farizeeën namen de voorschriften van de Wet radicaal ernstig. Tollenaars deden dat niet. Zij stonden bekend als profiteurs en afpersers. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat de Farizeeër minachtend neerkijkt op de tollenaar die samen met hem in de tempel staat te bidden. Al had hij dat natuurlijk beter niet gedaan. Wanneer we de parabel echter opvatten als een lesje in goede manieren, dan wordt ze flets en nietszeggend.
De Farizeeër en de tollenaar gaan beiden naar de tempel om te bidden, dit is om in de intimiteit van hun hart tot God te spreken. Jezus is zo onkies (jawel!) te vertellen wat ze allebei tot God zeggen. Meteen is duidelijk dat het hier dus om heel wat meer gaat dan fijne manieren tegenover andere mensen. Hier staan twee mensen voor God! De Farizeeër vliegt er meteen stevig tegenaan. Liegt hij tegen God? Er is geen reden om dat te denken, al had hij zijn mening over ‘de andere mensen’ beter voor zich gehouden. Wie oprecht kan zeggen dat hij tweemaal per week vast en bovendien nog tienden van al zijn inkomsten weggeeft, mag toch zeker wel met opgeheven hoofd in de tempel staan? De tollenaar houdt het korter: ‘O God, genade voor een arme zondaar’ (op een afstand, met neergebogen hoofd, zich op de borst kloppend). Meer heeft hij niet te zeggen. Het is de simpele waarheid.
Op de inhoud van hun gebed levert Jezus geen commentaar. Hij doet iets veel gedurfders. Zonder omhaal zegt Hij wie van beiden het bij God gehaald heeft. ‘Gerechtvaardigd’ betekent immers ‘door God aangenomen’. Wie niet gerechtvaardigd is, is door God afgewezen. Jezus neemt dus Gods eigen oordeel in de mond. Het ergerlijke is bovendien dat wie de wet onderhoudt, afgewezen wordt. Die parabel moet kwaad bloed gezet hebben bij de Farizeeën uit Jezus’ omgeving.
Waarop baseert Jezus zijn tref zeker oordeel? Niet zozeer op de waarheid of onwaarheid van de gebedswoorden. Beiden zeggen immers de waarheid. Bovendien doet de Farizeeër wel Gods wil en de tollenaar niet. Bij het verlaten van de tempel zal de tollenaar wel van beroep moeten veranderen. De Farizeeër daarentegen kan doorgaan met vasten en aalmoezen geven, maar hij zal moeten af leren anderen te minachten. Wat de doorslag geeft in Jezus’ beoordeling is de houding van die twee mensen. De Farizeeër verkoopt zichzelf aan God op basis van zijn eigen verdiensten. De tollenaar heeft alleen maar een rouwmoedig hart aan te bieden. Op het moment dat de mens voor Gods aanschijn staat, kan hij alleen maar rouwmoedig bidden om genade en vergeving. Dat is zelfs waar voor de Farizeeër, die nochtans de wet onderhoudt. De grondhouding tegenover God is het onontkoombare moment van de waarheid. We hebben tegenover Hem geen grote bek op te zetten. Zelfs als we erin slagen min of meer te doen wat Hij vraagt, is dat per slot van rekening nog te danken aan zijn genade en goedheid. Dan wordt ons handelen geen verdienste van ons, maar wederdienst aan Hem…
Wees mij zondaar genadig
C-cyclus · Tijd door het jaar · 30e zondag · groen