30e zondag door het jaar C (2007)

C-cyclus · Tijd door het jaar · 30e zondag · groen

De evangelist Lukas was volgens de Kolossenzenbrief geneesheer van professie. Maar er is een andere eerbiedwaardige overlevering, die hem als kunstschilder door het leven doet gaan. Hoe het ook zij, beide beroepen dienen te beschikken over een scherpe blik. De een om de juiste diagnose te kunnen stellen, de ander om de binnenkant van de werkelijkheid in beeld te brengen. Want een goed schilderij is heel iets anders dan een plaatje.

Lukas is een meesterlijk schilder, die alle middelen waarover hij beschikt, ten volle benut. Zijn taferelen geven hun geheimen dan ook pas echt prijs, als je het hele schilderij geduldig en aandachtig onder de loep neemt. Detailstudie is daarbij altijd goed en gewenst, maar vandaag zou ik mij met u aan een totaalblik willen wijden.

Wij hebben zojuist in het evangelie de helft van het schilderij te zien gekregen. Want de parabel die wij hebben gehoord is onderdeel van een groter geheel. De andere helft van het doek is vorige week in de liturgie onder onze aandacht gebracht. Hopelijk heeft u dat beeld van die arme weduwe en de onrechtvaardige rechter nog op uw netvlies staan. Dat vult immers de ene helft van het doek, op het andere deel treffen wij de farizeeër en de tollenaar. Of is het mogelijk een tweeluik, zoals de Middeleeuwse meesters ze ook zo prachtig konden schilderen. Maar ook daarvan weten wij dat ze pas echt hun volle zeggingskracht krijgen als je de twee panelen samen ziet.

Er staan twee scènes op het schilderij, die biddende mensen in beeld brengen. Daarbij is er sprake van gelijkenis en verschil, waarbij de blik op het geheel ons meer doet zien dan de afzonderlijke taferelen. Die twee verdiepen en versterken elkaar.

Lukas heeft in zijn schildersboek een voorkeur voor de armen. Hij tekent ons Jezus’voorliefde voor armen en kwetsbare figuren. Dat begint in zijn evangelie al met Maria. Die brengt die voorliefde ook zelf ter sprake in haar magnificat. “Arme en kleine mensen maakt Hij groot”, zo zingt zij. Maar arm en arm is twee. Je hebt mensen die echt arm zijn, weinig of niets hebben en helemaal op de hulp van anderen zijn aangewezen. Zoals de weduwe op ons schilderij, die haar recht komt halen bij de onrechtvaardige rechter. Ze behoort maatschappelijk tot de groep van mensen die niet in hun eigen bestaan kunnen voorzien. Zij is materieel arm. Maar je hebt ook mensen die van buitenaf bezien niets te klagen hebben, maar zich niettemin innerlijk heel arm weten. Die beseffen dat ze zich nergens op kunnen laten voorstaan, dat ze eigenlijk nergens recht op hebben. Integendeel, die ten diepste beseffen dat ze helemaal zijn aangewezen op Gods barmhartigheid. Die leven bij de gratie en goedheid van God. Zo iemand is de tollenaar uit het evangelie van vandaag. Sociaal gesproken hoorde die man vermoedelijk tot de betere stand, zo niet nog meer. Als belastinggaarder wist hij wel aan zijn trekken te komen. Maar uitgerekend die man wist zich echt arm. Niets had hij waarop hij zich voor kon laten staan. “God, wees mij zondaar genadig”. Op het grote schilderij dat Lukas ons laat bemediteren, staat die tollenaar op een lijn met de weduwe. Dat is verrassend en wijst erop dat Lukas’scherpe blik verder kijkt dan de oppervlakte. Wat in het dagelijks leven voor wit en zwart doorgaat, blijkt bij nader toezien helemaal niet in die hokjes te passen. Mensen afrekenen op basis van status en bezit is evangelisch gesproken geen goed criterium. Je kunt er lelijk naast zitten. Arm en arm is twee.

Die rijke en die arme arme, die tollenaar en die weduwe, hun leven wordt ons op een veel dieper niveau geschetst dan het maatschappelijk welzijn en de sociale conventies. Die twee hebben een binnenkant, waar ze in hun armoe rijk zijn aan vertrouwen. Precies daar waar ze niets meer hebben, zich nergens op kunnen laten voorstaan, waar ze alle bestaansrecht onder de voeten voelen wegzinken, bouwen ze op het grondeloos vertrouwen in God. En dat doet hen bidden en hopen. Hun kleine leven staat open naar God die niet oogt naar sociale status, maar steun en toeverlaat is van mensen die hun toevlucht zoeken bij Hem. Vanuit hun armoe durven zij met lege handen voor de Heer verschijnen.

Ons schilderij vertoont nog twee figuren. Ook die vertonen gelijkenis, hoe verschillend ze op het eerste oog ook lijken. De rechter is iemand van de betere stand,en hij bekleedt een ambt dat zijn gezag en aanzien mede ontleent aan de wet waarnaar hij oordelen moet. Zijn uitspraken dienen het leven te behartigen. Leven door God gegeven om te behoeden. Maar deze man blijkt een militante atheïst. Van hem wordt tot twee maal toe gezegd, dat hij God niet vreesde en zich om geen mens bekommerde. En als hij dan ten langen leste de weduwe tegemoetkomt, dan is dat niet omwille van haar, maar omwille van zijn eigen rust. Hij wil van haar gezeur af zijn. Bidden zien wij hem overigens niet. Dat is niet vreemd, want God vrezen doet hij niet. Om zijn medemens bekommert hij zich evenmin, alles draait om zijn eigen klein bestaan. Zijn kleine rust.

En dan de Farizeeër. Juist als de rechter een man met een zekere status, maar mogelijk niet behorend tot de beter gesitueerden. De farizeeën genoten in Jezus’dagen wel aanzien vanwege hun religieuze positie, maar maat-schappelijk waren er veel minderbedeelden onder hen. De kleine beurs onderscheidt hem mogelijk van de rechter.

Maar hoe staat het met de rest? De rechter was een notoir atheïst, die geen ontzag had voor God en zich aan geen mens iets gelegen liet liggen.

De farizeeër blijkt de evenknie van de rechter als het gaat om zijn mensenliefde. Tweemaal horen wij immers in de tekst zeggen dat hij de rest van de mensen verachtte en zich gelukkig prees niet te zijn als de rest van de mensen. Maar kerkganger was hij wel en zijn bidden is geen vragen, nee, hij weet zelfs te danken. Zo lijkt het voor de vluchtige kijker van het schilderij. Maar Lukas dwingt ons de blik te scherpen en dan vallen andere veel wezenlijkere trekken op die aanvankelijk in de schaduw blijven. Dat hij God vreest wordt van de farizeeër niet gezegd. Is het omdat het vanzelfsprekend lijkt of doet de tekst ons zo al peinzend stilstaan bij zijn vroomheid. De man dankt, maar wie dankt hij eigenlijk? Welbeschouwd alleen zichzelf. “Ik dank u dat ik niet ben als etc. ik vast tweemaal per week, geef tienden etc.” Die farizeeër heeft het alleen over zichzelf. Hoe goed hij het met zichzelf getroffen heeft en wat hij allemaal wel niet doet. God komt in heel zijn verhaal niet voor, hij heeft hem ook niet nodig, want alles is zijn eigen werk. Precies als bij de rechter draait alles om zijn eigen klein bestaan, en zijn vroomheid en kerkgang is de aanbidding van een valse God. De rechter vreest God niet, de farizeeër aanbidt zijn eigen beeld. De wereld van beiden verschilt ondanks de schijn van het tegendeel niet of nauwelijks. Helemaal rond zichzelf gesloten. Geen openheid, naar niks of niemand.

Er valt nog heel wat meer op het schilderij te zien en eigenlijk zijn we nog lang niet uitgekeken, maar de tijd gaat voort en de predikant moet maat weten te houden. Waarmee sluiten wij af?

Misschien met het kleine maar wezenlijke detail dat tussen de twee taferelen staat. Het doek wordt immers door de twee groepen in tweeën verdeeld. Daartussen staat een heel dunne lijn, een vraag door Jezus gesteld, die de twee episoden met elkaar verbindt en onszelf zo midden op het doek plaatst: “zal de mensenzoon bij zijn komst het geloof op aarde vinden?” Aan ons het antwoord in authentiek gebed en ware zorg voor elkaar. AMEN.

Zoeken in Preken Online