God, wees mij, zondaar, genadig'\ \ Over bidden gaat het dus vandaag,\ over verschillende manieren van bidden.\ Het gebed van de arme dringt door de wolken heen’,
hoorden we in de eerste lezing.
Wat denkt u?
Dringt het bidden van Herman Finkers ook door de wolken heen, bereikt het God?
De vraag in de Evangelielezing is óók: Naar wie luistert God?
Naar het gebed van de farizeeër of van de tollenaar?
Kortom, wanneer is bidden bidden?
We zijn snel geneigd te gaan vergelijken. Dat zit ons in het bloed, het ligt ons. Het speelt ons ook parten als wij luisteren naar het evangelie van vandaag. Onze sympathie gaat zo onverdeeld uit naar de underdog', naar de tollenaar die in deemoed zijn schuld belijdt.\ Zo hebben we nauwelijks nog aandacht voor de farizeeër.\ Zo zijn wij niet en zo willen wij niet zijn.\ \ Farizeeën stonden bekend als zeer plichtsgetrouwe, vrome joden,\ die de Thora, de wet, zeer goed kenden en er zeer wel naar leefden.\ Sterker nog, veel uitspraken van Jezus vertonen grote verwantschap met de ethische opvattingen van hen.\ De farizeeër wilde als vriend van God leven en had daar veel voor over.\ Hij bidt, vast en geeft aalmoezen.\ Dat zijn drie klassieke godsdienstige deugden,\ zoals die ook door Jezus worden geleerd.\ Het gaat er immers om dat je je op de juiste wijze verhoudt tot God,\ tot jezelf en tot je naaste.\ Bidden kan je helpen met God in gesprek te komen en te blijven,\ vasten is een goed middel om je consumptiedrang te bedwingen\ en het geven van aalmoezen kan je er dagelijks aan herinneren dat je gul,\ gastvrij en vergevingsgezind moet leven.\ Hij wordt mij eigenlijk steeds sympathieker, ook al omdat ik in weinig commentaren een goed woord over hem vond.\ Hij was gewoon een goed mens en hij dankte God dat hij niet oppervlakkig leefde.\ \ Tollenaars stonden in die tijd niet in hoog aanzien, integendeel.\ Zij inden belastingen voor de Romeinse bezettende macht.\ Zij werden verdacht van oneerlijkheid, afzetterij ten gunste van zichzelf en van collaboratie met de vijand. Ze werden met de nek aangekeken.\ En toch maakt Jezus van deze tollenaar een voorbeeldige bidder en van de farizeeër iemand wiens vroomheid minder waard is. Waarom?\ \ De farizeeër en de tollenaar verlangen , denk ik, beiden naar een echt leven, naar een gaaf leven (om met Augustinus te spreken),\ zoals er ook diep in ons een verlangen leeft om naar waarheid gekend en bemind te worden.\ \ De farizeeër bidt echter opdat men’ hem ziet bidden.
Zijn God is men', zoals men zegt dat het hoort.\ Hij is dus om zichzelf bekommerd, hij ziet naar zichzelf.\ De verleiding van de spiegel: je denkt dat je voor God staat,\ maar je spreekt met je eigen spiegelbeeld.\ "Bent U tevreden over mij God? Ja, heel tevreden".\ Ogenschijnlijk bidt hij oprecht.\ Hij dankt, wanneer hij zich met de tollenaar vergelijkt.\ Maar vergelijken is oordelen.\ God vergelijkt niet, echte liefde vergelijkt niet.\ De farizeeër dankt, maar vooral zichzelf. Hij heeft God eigenlijk niet nodig.\ God is voor hem een gelegenheid om over en met zichzelf te spreken;\ hij spreekt met God over zichzelf.\ Je zou kunnen zeggen: dat is naar je toe bidden, dat is naar je toe leven; ingenomen zijn met jezelf.\ De farizeeër van vandaag heeft het met zichzelf getroffen.\ \ De tollenaar legt in zijn gebed het zwaartepunt niet bij zichzelf.\ Hij ziet zijn zondigheid eerlijk onder ogen en doet van daaruit een beroep op God\ en zijn barmhartigheid:\ "Wees mij zondaar genadig"; "Kyrië eleison, Heer, ontferm U over mij."\ Het gebed van de tollenaar is als dat van de arme uit de eerste lezing.\ De arme wéét dat hij God nodig heeft en vertrouwt zich aan Hem toe.\ Hij wéét dat hij God nodig heeft, niet om iets te bereiken of iets te voorkomen,\ maar omdat hij weet dat al wat gaaf is in hem, van God is.\ Alle goeds is gave, het is genade.\ Hij bidt niet naar zich toe, zoals de farizeeër, maar van zich af,\ naar God, en zo'n gebed breekt door de wolken heen, bereikt de hemel.’
En hoe staat het met ons?
Hebben wij niet iets van beiden, van zowel de farizeeër als van de tollenaar?
Volgens mij is daar helemaal niet zoveel mis mee.
We mogen toch wel blij zijn met ons geloof?
We mogen ons toch goed voelen in onze traditie?
We mogen onze rug dus toch wel rechten?
We proberen toch oprecht het goede te doen,
bidden, vasten en onze medemens in nood niet vergeten.
Als we ons maar realiseren dat we het niet allemaal op eigen houtje kunnen.
Wij kennen een mooi katholiek principe:
We zijn allemaal afhankelijk van de barmhartigheid van God,
van zijn liefde voor ons.
Uiteindelijk is alles Genade,
maar ondertussen kunnen wij wel met de genade meewerken.
En dat is gerechtigheid doen.
Het zwaartepunt van je leven buiten jezelf leggen;
je zo gedragen dat anderen er beter van worden.
Er zijn voor hen die ons nodig hebben.
Van je af leven.
En hoe stijgt ons bidden dan door de wolken heen?
Volgens mij, door te streven naar en te werken aan een gaaf leven.
Door niet te leven naar onszelf toe, maar van ons af,
naar de ander toe, naar onze medemens.
En door niet te bidden naar onszelf toe, maar van ons af, naar God.
Om in de beeldspraak van Jezus Sirach te blijven:
Dan belooft God dat de wolken uit elkaar geschoven worden,
dan belooft God dat onze werken en ons bidden de Hemel bereiken.
En hoe we dan bidden,
dat maakt in de ogen van God, denk ik, niet zo veel uit.
Vragend, roepend, klagend of dankend.
Knielend, zittend, thuis, in de kerk, op de fiets, in de tuin, in processie,
met de rozenkrans, zingend in het koor of de kerk schoonmakend,
met de woorden van Herman Finkers of met eigen woorden, stamelend,
het maakt niet uit.
Vooral niet veroordelend.
Als het maar van ons af is, oprecht, God zoekend.
En laten we het oordeel dan maar aan God overlaten.
“God, wees ons, zondaars, genadig!”
30e zondag door het jaar C (2007)
C-cyclus · Tijd door het jaar · 30e zondag · groen