Dit verhaal van Lucas is eigen aan Lucas. De anderen hebben dat niet. Hij heeft de meeste parabels en het zijn bijna allemaal klassiekers geworden. Ze zijn diep in ons geheugen geschreven. We hebben ze al zo vaak gehoord. Ze hebben ons ook al zo vaak geërgerd. Wat op zich een goed teken is. Daar zijn het immers parabels voor. Ze geven te denken. Vandaag geven de farizeeërs en de tollenaars ons te denken. Het is geen vrijblijvende literatuur.
‘Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden.’ Daarmee is vanaf het eerste akkoord de juiste toon gezet. Het gaat over het bidden. Over de kwaliteit van het bidden. Over het goede en het slechte bidden. Zo hoort het en niet anders! Daar heeft Lucas het over. Hij heeft het over een tollenaar en een farizeeër. De eerste heeft een slechte reputatie, de ander is een hoog gewaardeerd godsdienstig man. En… ze hebben deze kwalijke en deze goede reputatie ook allebei verdiend. De farizeeër doet wat goed is. Hij doet het extra goed met enkele extra’s. De tollenaar is een belastingontvanger met de bekende onbetrouwbare knepen. Lucas plaatst ze tegenover elkaar. Het is een zwart-wittekening.
In dezelfde kleuren tekent hij ook hun bidden. De goede bidt slecht en de slechte bidt goed. Wat is er dan goed aan ons bidden en wanneer wordt het slecht? De farizeeër is ethisch correct, maar hij is God vóór. Hij anticipeert op de mogelijke genadigheid en de mogelijke zegening. God móét genadig zijn en zegenen. De hemel mag enkel applaudisseren bij het zien van onze trouwe werken. Zodoende wordt God buitenspel gezet. Zodoende blijft God niets anders over dan de mens de grootste onderscheiding te geven op zijn examen. Het opstel van de farizeeër wordt gezien en goedgekeurd. God wordt op non-actief gezet door de deugd van de farizeeër. Dat is een eerste fout.
Een tweede minuspunt is: de farizeeër zet de mens buitenspel. Hij is niet als de rest van de mensen. Dat weet hij. Dat meent hij. Dat zegt hij. Ja, dan kun je meteen beter het bidden staken. God heeft dan allang de oren gesloten. Wie de mens geen broeder noemt, kan God geen vader noemen. Zoiets doet alle deuren dicht. Punt.
Daartegenover staat de tollenaar. Hij heeft één punt voor op de farizeeër: hij kán namelijk niet bidden. Dat is een pluspunt. De tollenaar heeft geen woorden. Hij kent de psalmen niet. Hij kent zijn morgengebed niet en evenmin zijn avondgebed. Op het bidexamen haalt hij geen twee op tien. En toch. Eén zinnetje kan hij stamelen: God, wees mij, zondaar, genadig! Het is weinig. Het is genoeg. Met die ene zucht opent hij het hart van God. Voor hem is God wél thuis. Hij biedt God de kans hem te geven wat hij niet heeft. Dat is bidden.
Noteer dat wij al eeuwen nazeggen wat een kleingelovige, een publieke zondaar, ons heeft voorgezegd. Met zijn machteloze woord staat hij al twintig eeuwen vooraan in onze tempels. Met het hoofd gebogen en de ogen helderziende dicht.
Gods huis wordt geopend met een kleine sleutel…
Niet als de anderen
C-cyclus · Tijd door het jaar · 30e zondag · groen