Weten wij wat een farizeeër is? We dachten van wel: een vromeling, een vruchteloze bidmeneer, een conservatieve angsthaas, een kwezel. En vooral: een schijnheilige, een huichelaar, een verwaande hypocriet. Een bad guy op voorhand, slecht en onbetrouwbaar. En een aartsvijand van Jezus van Nazaret.
Op de middelbare school, waar ik een reputatie hoog te houden had als tekenaar van karikaturen, heb ik eens een tekening gemaakt van enkele gehate leraren: priesterleraren. De vermaledijde koppen en buikjes van die pestkoppen gehuld in gestreepte gewaden, met kwasten en al. ‘De Farizeeërs’ heette die tekening. En tot op vandaag merk ik hoe de benaming ‘farizeeër’ als scheldwoord bovenkomt als ik denk aan kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders.
Zo ongeveer staat het met het beeld dat wij hebben van de Farizeeën; een beeld waaraan de evangelisten hebben bijgedragen, en waar onze geschiedenis van antisemitisme vrolijk op kon doorgaan. En hadden zij niet Jezus gekruisigd?
Maar nu de realiteit. De schijn van dat beeld bedriegt. In werkelijkheid waren de Farizeeën de bewakers van Israëls identiteit, tegen vervagende tendensen en tegen bezettende machten in. Terecht werden ze bewonderd en op handen gedragen door de gewone mensen. Getrouw en eerlijk zochten ze naar vertalingen van Gods oude woord in eigentijdse daden van mensendienst, zeer realistisch en vaak met grote moed. Zij stonden aan de góede kant. Jezus van Nazaret was hun geestverwant in die trouw, dat zoeken, die moed. En hij is niet door de Farizeeën uitgeleverd aan de Romeinse bezetter, maar door de Sadduceeën - de hogere priesterkaste die goede zaken deed met de Romeinen en die niet zoals de Farizeeën in opstand of opstanding geloofde. Eerherstel voor de Farizeeën dus! Dankzij hen is het joodse volk zichzelf gebleven, tegen de verdrukking in, tot op vandaag; een monument van realiteitszin, idealisme en menswaardigheid. In één van de Duitse kampen weigerde een gevangene varkenssoep te eten. Hij zei: ‘Omdat er verschil is tussen rein en onrein’, en men wist wat hij bedoelde met rein en onrein. Dát is in de geest van de Farizeeën.
Weten wij wat een tollenaar is? We dachten van wel: een wat zielige meneer, het type van ‘ruwe bolster, blanke pit’, zo iemand die er niets aan kan doen dat hij ambtenaar bij de belastingen is. Een beetje verdacht, dat wel, maar dat komt omdat hij ook een beetje dom is. Een schlemiel, een der armen voor wie Jezus het opneemt. Uiteindelijk een figuur waarmee ik me vereenzelvigen kan. De good guy die het in het verhaal geheel terecht wint.
Maar nu de realiteit. Ook de schijn van dit beeld bedriegt. De tollenaars waren in feite collaborateurs en corrupte profiteurs. Ze inden belasting voor de bezetter, en zorgden ervoor dat ze daar zelf goed aan overhielden. Ze waren niet arm, ze verrijkten zich ten koste van de armen. Ze waren niet dom, maar geslepen. Ze waren niet zielig, maar hoorden bij het donkerbruine gilde dat altijd en overal munt weet te slaan uit de onderdrukking van weduwen en wezen, dat behendig meedraait in de kringloop van het onrecht. Een soort ‘zwarte’ avant la lettre: dat waren de tollenaars.
Als het echter zo is, dat onze beelden van Farizeeër en tollenaar niet kloppen, en als we dat nog willen geloven ook, wordt het verhaaltje van Jezus alleen maar raadselachtiger, en zijn eigen positie hoogst twijfelachtig. Hij noemt niet eenvoudigweg de slechten slecht en de goeden goed. Het schokkende is nu net dat hij constateert hoe een goede er net naast kan zitten, terwijl iemand die echt fout is in het reine komt.
Deze schok verliest aan kracht, als je beseft dat Jezus tekeer gaat tegen geestverwanten, zoals je juist tegen vrienden de waarheid zeggen kunt. Maar daarmee blijft de vraag: waarom gaat in dit verhaaltje de Farizeeër niet gerechtvaardigd naar huis en de tollenaar wel?
Het gaat bij deze Farizeeër niet om schuld, maar om tragiek. Zijn probleem is dat hij, aan de goede kant staande, denkt er al te zijn. Elk mens zoekt bevestiging van zijn trouw en liefde, maar deze rechtvaardige wil dat afdwingen. En dat kan nu net niet. Met deze onbedoelde vorm van omkoperij zet hij zichzelf op een dood spoor. Hij heeft al zoveel gedaan, meer dan vereist was; nu kan hij niet meer krom, kan hij niet meer vooruit. Hij heeft geen toekomst nodig, hij is er al; ‘hij bidt bij zichzelf’, noteert het evangelie fijntjes. Ziehier het risico van gerechtigheid en de tragiek van zoveel gelovigen. Ze kunnen niets meer, hebben zichzelf van toekomst afgesloten.
De tollenaar daarentegen is er nog lang niet, maar niemand weet dat beter dan hijzelf. Hij heeft grof onrecht bedreven, heeft nog veel goed te maken, maar het kán. Hij neemt zichzelf zoals hij is, weet zich te buigen naar de realiteit, en aanvaardt zijn aanvaarding: hij is te helpen. De tollenaar heeft nog een lange weg te gaan, maar die weg ligt open, want hij heeft zijn hart geopend. Hij láát zich ontmaskeren: daarmee begint de breuk met het kwaad. ‘Dat doet de Enige deugd, dat mag verzoening heten’. Vanaf heden is de tollenaar vaardig tot recht.
Onze positie intussen, is niet zo duidelijk. Zijn wij Farizeeër of tollenaar? Het zal wel allebei tegelijk zijn. Dan blijven er voor ons een paar vragen over.
Kan ik, als de rechtvaardige die ik ben, een gebogene worden, een ontmaskerde? Als ik het niet aandurf blijf ik bidden bij mezelf. Durf ik het wel, dan kan er een toekomst opengaan. Ik hoef niet, ik mag.
En kan ik, als tollenaar, onrechtbedrijver, die ik óók ben, mezelf nemen zoals ik ben? Als het niet lukt, verzuip ik in het schuldgevoel. Maar als het lukt, ben ik te helpen, kan ik vooruit, ben ik vaardig tot het recht. ‘Word ik gerechtvaardigd’, in de taal van de Schriften…\
Schijn bedriegt
C-cyclus · Tijd door het jaar · 30e zondag · groen