In deze parabel gaat het niet om twee mensen, maar om twee levenshoudingen, die vandaag de dag nog even actueel zijn dan in de tijd van Jezus.
In zekere zin gaat deze parabel heel duidelijk over christenen in onze tijd die overtuigd zijn van eigen gerechtigheid en die anderen minachten. Deze christenen zullen dat niet gemakkelijk toegeven. Daarom is het goed dat we samen even nadenken om te begrijpen wat Jezus ons eigenlijk zeggen wil. Als die farizeeër de woorden van Jezus gehoord zou hebben, zou hij protesterend hebben gezegd: ‘Rabbi, is het wel juist wat je zegt? Je weet toch ook dat ik me alle moeite geef om streng naar Gods geboden te leven. Denk je soms dat het voor mij een plezier is om de twee dagen te vasten? Vaak heb ik ook de bekoring om van het leven te genieten in plaats van een tiende van mijn bezit af te staan voor de tempel. Terwijl anderen er zo maar op los leven ben ik U toch altijd trouw gebleven. Hoe kun je dan zo over mij oordelen?’ Wat zou Jezus op dit schijnbaar eerlijk verwijt geantwoord hebben? ‘Ja, je hebt gelijk als je spreekt over je prestaties, ik wil dit niet ontkennen, je geeft je werkelijk veel moeite, je bent een vrome man. Maar je maakt een grote vergissing die je schijnbaar zelf niet kent. Je bent zelfgerechtigd en in deze zelfgerechtigheid maak jij jezelf tot God.’
Jezelf tot God maken is misschien wel de gevaarlijkste dwaalweg die een mens maken kan. En juist mensen, die het heel ernstig nemen met God, staan voortdurend op een bedekte wijze bloot aan deze bekoring. Daarom deze ernstige vermaning van Jezus. Bepaalde geboden vragen om bepaalde prestaties en op het einde kan men dankbaar vaststellen dat men alles gedaan heeft wat men moest doen. Vaak wordt men dan zo zelfvoldaan dat men God en zijn barmhartigheid niet meer nodig heeft. En toch, als je ook alles gedaan hebt wat je moest doen, zegt Jezus, dan moet je nog bekennen dat je een onnutte dienstknecht bent. Tenslotte immers heb je het leven en alle gaven om te leven aan God alleen te danken. De fout van de farizeeër is dat hij zichzelf zalig spreekt en daar walgt God van. Een mens is niet goed omdat hij goede dingen doet.
Als we naar de tollenaar kijken moeten we ook wat voorzichtig zijn. Hij geeft toe dat hij van zijn leven een puinhoop heeft gemaakt en daarin hoeven wij hem niet na te volgen. Zijn handen zijn leeg, hij heeft niets en hij kan God niets voorrekenen. Hij moet wel ergens begrepen hebben dat wij voor Gods aangezicht niet behouden worden omdat wij zo goed zijn, en ook niet verloren gaan omdat we zo slecht zijn. Dat is zijn redding: hij is helemaal aangewezen op Gods redding. Hij maakt Jezus tot zijn Verlosser.
Wij staan zeker dichter bij de farizeeër dan bij de tollenaar. Brave mensen denken vaak dat zij met God in orde zijn omdat zij, naar hun zeggen, geen kwaad doen. Zij vertrouwen erop dat zij door goede werken de hemel kunnen verdienen. Zo hebben zij God niet meer nodig, ze redden zichzelf wel. Daarom kunnen ze zo gemakkelijk minachtend neerkijken op de ongelovigen die zich nergens iets van aantrekken. In het middelpunt van deze parabel staat de bewering van Jezus dat God alleen ons kan rechtvaardigen. Wij kunnen God niet voorrekenen. Als wij zo in alles op Gods genadigheid aangewezen zijn, moeten wij zeker ook genadige mensen zijn. We zullen over geen enkel mens een oordeel vellen en ook niet over die tollenaar…
Door zijn barmhartigheid alleen
C-cyclus · Tijd door het jaar · 30e zondag · groen