30e zondag door het jaar C

C-cyclus · Tijd door het jaar · 30e zondag · groen

Met het verhaal over de farizeeër en de tollenaar laat Jezus zien dat het fout is zelfgenoegzaam te zijn.

Als het woord ‘farizeeër’ valt, combineren we dat met schijnhei­ligheid, huichelachtigheid, een overdreven vroom iemand, dik tevreden over zijn eigen godsdienstigheid. Bij het woord ‘tollenaar’ denken we aan mensen die ondanks hun smerige streken door Jezus worden geaccepteerd. Ze heulen met de vijand, maar in hun hart zijn ze rouwmoedig. Zo worden ze ook door Jezus geschilderd: de zelfgenoegzame, vroom biddende farizeeër op de voorste rij, en de rouwmoedige tollenaar helemaal achterin.

Nu zijn we allemaal slim genoeg om ons niet te vergelijken met die verwaande farizeeër, die er van Jezus van langs krijgt om­dat hij het zo goed getroffen heeft met zichzelf. Nee, wij kiezen allemaal de rol van de tollenaar, want we weten heus wel dat er een en ander aan ons mankeert. We hebben volop gebreken.

Maar wie zich trots op de borst slaat omdat hij gelukkig niet op die farizeeër lijkt, is eigenlijk even zelfgenoegzaam als de fari­zeeër met wie hij niet vergeleken wil worden. Een tevreden tol­lenaar is dus even erg als die ander.

In een versie van dit evangelie die ik ergens las, werd het dan ook zo verteld. Twee mensen gingen naar de kerk om er te bid­den; de één was een farizeeër, de ander een tollenaar. De tolle­naar stond achterin, het hoofd gebogen, de ogen neergeslagen. Hij bad: ‘God, ik dank U dat ik niet ben als de rest van de mensen: schijnheiligen, meelopers en kerkbezoekers. Ik dank U dat ik niet ben als die farizeeën daar vooraan in de kerk, met hun devote praatjes, hun gebeden en rondgebazuinde gulheid. Ik weet dat ik niet deug, en schuldig ben in heel veel dingen, maar zij daar doen er hun ogen voor toe in vroom gebed’. De farizeeër op eerste rij klopte zich niet op de borst, want diep in zijn hart wist hij wel dat hij beter was met vrome woorden dan met echte daden, en stilletjes bad hij in zichzelf: ‘God, wees mij, zondaar, genadig’. Jezus zei: ‘Deze laatste ging gerechtvaardigd naar huis, want wie zich verheft, zal vernederd, en wie zich ver­nedert, zal vergeven worden.’

Wie vandaag de farizeeër is, kan morgen de tollenaar zijn, en omgekeerd. Waar het om gaat, is dat farizeeën, maar ook tolle­naars onder ons, vaak zelfgenoegzaam leven, en dik tevreden over zichzelf neerkijken op anderen.

Vrome en precieze katholieken hoor je nogal eens prat gaan op hun standvastig geloof, en ik hoor hen nogal eens laatdunkend praten over die ruimdenkende meelopers zonder echt geloof. Andersom hoor je kritische gelovigen wel eens neerbuigend doen over die vrome zielen. Gelovige en trouwe kerkgangers hoor je wel eens denigrerend praten over mensen die ‘nergens meer iets aan doen’, en die op hun beurt zetten zich wel eens af tegen hen die nog wel kerks zijn. Het zijn huichelaars, vinden ze; zijzelf zijn eerlijk.

Jezus leert beide ‘partijen’: wie zich verheft, zal vernederd wor­den, en wie zich vernedert, zal verheven worden’. Vooral gelovi­gen die zich beter wanen dan die anderen, mogen dit in hun gelovige oren knopen…

Zoeken in Preken Online