Het Evangelie van Lucas geeft ons weer een parel over het gebed: de parabel van de Farizeeër en de tollenaar.
De Wijsheid van Jezus Sirach leidt de parabel in. Het is wijsheid van Israël die beweert: “het gebed van de arme dringt door de wolken heen”. Is dat wel zo? Is dat weer geen provocatie van onze ervaring? Kennen wij niet allen arme mensen, die tot op hoge leeftijd, met alle wijsheid en vroomheid hun eigen, heel hun leven gebeden hebben en niet verhoord zijn? Hun gebed is door de wolken heen gedrongen, maar de verhoring van hun gebed is “door de wolk aan hun gezicht onttrokken”. Ze blijft Gods geheim. Jezus Sirach was een wijze. Hij was ook een aristocraat en een rijk man. Het ging hem goed in het leven. En wij denken: voor hem was het gemakkelijk te beweren dat de arme verhoord wordt.
Wij tillen zwaar aan deze objectie. Ze is van alle tijden. Ze heeft Israël altijd beziggehouden. De Psalmen en de Wijsheid vragen zich dikwijls af: “zou God het dan niet horen”? “Ik roep bij dag en Gij hoort het niet. Ik schreeuw in de nacht en Gij luistert niet”. Generatie na generatie kent het gebed niet, of houdt het niet uit te bidden, grijpt naar geweld om macht te behouden of te veroveren, om het recht in eigen hand te nemen, op aarde, onder een gesloten hemel. Wanneer dringt het gebed van de arme door “tot voor de troon van de Allerhoogste”?
Onze objectie tast alle horizonten af, om te zien of het er in de wereld ooit of ergens anders aan toe gaat, of ergens macht zacht en redelijk wordt uitgeoefend, als het ware natuurlijk, alsof God er bij was, die luistert naar het gebed van de arme; of de arme zich ergens veilig en beschermd voelt. Onze objectie onderzoekt alle harten, om te zien of er één is, waar het goed is voor God en de mensen om te wonen.
Het is wanneer wij van alle horizonten terugkeren en in onszelf treden, wanneer wij na alle harten onderzocht te hebben, “in eigen hart” gaan ‘‘kijken”, dat wij de Farizeeër en de tollenaar horen. De Farizeeër identificeert gemakkelijk de tollenaar. En de tollenaar heeft objecties te over om de Farizeeër te brandmerken. Maar de parabel ontsluit zich, voor Farizeeërs en tollenaars, wanneer ze áls Farizeeër of áls tollenaar in het eigen hart kijken” en zo voor God hun hart openleggen. Dán dringt hun gebed door de wolken heen en daalt God neer uit zijn hemel die eerst gesloten was. De Farizeeër legt zijn trots af, want God is groter dan zijn hart, en de tollenaar komt vrij van zijn hebzucht, want God is zijn rijkdom. Zegt onze parabel iets over de bewering dat het gebed van de arme verhoord wordt? Zij zegt er veel over. Want bij nader toezien ontdekken wij dat de arme die vroom en wijs heel zijn leven bidt, wéét dat hij verhoord is, zoniet in wat hij vraagt, dan toch in wat hij zonder vragen krijgt: God is hem altijd beschermend nabij. Hij is gaandeweg zijn rijkste bezit geworden. Het geheim van déze verhoring is niet alleen door God maar ook door de arme zelf gekend. Wie niet bidt als de tollenaar van de parabel komt het nooit te weten.
Zegt onze parabel iets over de strijd om macht en om recht door de eeuwen heen? Ook hierover zegt ze veel. Want de tollenaar die bidt is eigenlijk geen arme. Hij is eerder een rijke, dank zij zijn twijfelachtig beroep in dienst van de Romeinse bezetter. Hij is het die verhoord wordt. Zijn deel zal hem niet ontnomen worden. En de Farizeeër die slecht bidt kan het beleven dat de rollen eens omgekeerd worden, dat de macht en het recht aan hem, aan zijn groep in Israël ontnomen worden. Hij bidt met het hart van een rijke, hij behoort tot een machtige groep: de Farizeeërs vormden een soort partij van leken met een grote onrechthonger, politiek, religieus en theologisch. Ze waren niet de rijksten maar wel de sluwste en sterkste opiniemakers. Hen zal ontnomen worden, zelfs wat ze hebben. “Wie zich verheft zal vernederd, wie zich vernedert zal verheven worden”. Zé eindigt de parabel immers. Wie haar in zich opneemt begint te leven, hij zij tollenaar of Farizeeër…\
30e zondag door het jaar C
C-cyclus · Tijd door het jaar · 30e zondag · groen