Al te zeer heeft men de Farizeeër vernederd en de tollenaar verheven. En vooral, men heeft dat blijde boodschap genoemd. Maar iets in ons zegt, dat dit niet helemaal juist kan zijn. Het is zelfs helemaal niet juist.
We lezen een parabel. We zullen dus iets lezen wat ons zal verrassen. Dat is altijd zo met een parabel. De Farizeeër zou moeten geprezen worden. Hij meent het goed met Wet en Prof eten en dat is God dierbaar. De tollenaar heeft een slechte reputatie en dat is niet uit de lucht gegrepen: tollenaars waren vaak collaborateurs. Zij zouden moeten worden afgekeurd. Indien Jezus deze verhoudingen ontkende, dan was hij terecht al zijn geloofwaardigheid kwijt.
Maar het gaat hier niet om het contrast tussen mensen, tussen klassen van mensen. Het gaat om het bidden. De Farizeeër bidt niet goed. De tollenaar doet dat wel. Daarmee wordt het geloof en de trouw van de Farizeeër niet afgekeurd. Ik wou, dat ik zoveel voor mijn geloof deed. Ik wou, dat ik ook die extra’s er nog bij kon doen. Dat zou me een beetje doen gelijken op de heilige mens die psalm 119 bidt. Dat is hoge vroomheid. Ook voor vandaag. Lees het maar eens. Of liever, bid het maar eens. Jezus zou ons niet afwijzen. Maar, zoals gezegd, de Farizeeër bad verkeerd. Hij dacht God te overtuigen. Hijzelf was de gever, de maker van het goede: hij had teveel te bieden, en hij deed het een beetje te graag. Alsof God hem niets meer te geven had… Alsof hij boven de zegen stond en over de zegen zelfzeker beschikken kon. Daar loopt het fout. Als wij God niet meer nodig hebben om mens te worden, Hier is het bijna het tegenovergestelde: God heeft zulke flinke, trouwe mensen nodig. En de Farizeeër wist dat een beetje teveel. Hij kon niet gezegend worden. Hij was het al. Hij kon niet begenadigd worden. Hij had die genadigheid al in eigen beheer genomen. Dat was er teveel aan.
In dat opzicht was de tollenaar juister. Voor hem mocht God nog zegenen. Hij had die zegen nog nodig. En hoe!
Daar zit dan ook de sleutel van de parabel. God is graag God. En bij sommige mensen lukt dat niet omdat ze a-priori klaar zijn met God. Hij kan dan niet meer geven wat Hij graag geeft aan mensen: genadigheid en barmhartigheid. Dan is God buitenspel gezet.
Maar hoe komen ze nu, na het bidden, uit de tempel? De Farizeeër mag alsjeblieft Wet en Profeten met alles erop en eraan, consequent verder beleven. Hij mag ook de extra’ s erbij nemen. Dat de tollenaar maar eens leert wat recht is en gerechtigheid. Als het juiste bidden hem maar kon leren morgen in zijn tolhuis mensen tot zegen te zijn. En als de Farizeeër vanuit zijn rechtgeaard leven maar eens kon leren met een ander hart naar de tempel te gaan.
Maar het gaat niet om de Farizeeër en de tollenaar. Het gaat om mij. Wat ga ik in de kerk doen? Hoe ga ik naar de tempel?
Wat ga je doen in de kerk?
C-cyclus · Tijd door het jaar · 30e zondag · groen