Deze weduwe is uitzonderlijk. Ze is niet als de andere weduwen in de bijbel, die in de samenleving op de onderste trap stonden en in één adem genoemd werden met de wezen. Zij waren overgeleverd aan de willekeur van anderen, zij hadden niets te eisen, niets te willen; ze moesten stil zijn, zwijgen en dulden. Maar deze vrouw is anders, zij is zonderling, ze trekt zich niet bescheiden terug en zwijgt niet. Zij komt moedig op voor dat klein beetje recht dat ze nog heeft. En, als ze zich geen recht verschaffen kan, stapt ze naar een rechter wiens beroep het is op te komen voor het recht. Maar, ze heeft het slecht getroffen en kwam terecht bij een rechter die zich om God noch gebod bekommerde. Die man stond op de bovenste trap van de maatschappij en was zo hoog in aanzien dat hij niets of niemand vreesde. De weduwe legt zich niet bij de feiten neer, ze voelt zich in haar recht en is niet bang het op te eisen. Ook als ze telkens moet terugkomen blijft ze moedig geloven dat ze eens haar recht zal krijgen. Lange tijd trekt de rechter zich niets van haar aan, maar geërgerd door haar eindeloos vervelende bezoeken, zegt hij bij zichzelf: “Ook al trek ik me van God of van de mensen niets aan, ik zal haar recht verschaffen om van haar gezeur verlost te zijn.”
Juist deze weduwe kiest Jezus in zijn parabel als voorbeeld om zijn leerlingen te leren dat zij nooit mogen ophouden met bidden en dat ze daarin niet mogen versagen. Het gebed nooit opgeven kan ook voor ons moeilijk zijn. Bidden moet voor ons veel meer zijn dan vragen om mooi weer. Worstelen wij niet met het ondoorgrondelijk mysterie van boosheid, haat en ongerechtigheid, van mateloos lijden in deze wereld? Er sterven miljoenen onschuldige kinderen aan aids, anderen blijven verweesd alleen achter als slachtoffers van de burgeroorlogen. Wat is er te doen tegen de drugmaffia? Schijnbaar trekt God zich van al dat leed weinig aan, de hemel blijft voor ons gebed gesloten. Door ons gebed moeten wij binnentreden in de zorg van God die het geluk wil voor elke mens. Bidden wij dat recht verschaft wordt voor allen die onschuldig slachtoffer worden. Ons geloof zegt ons dat God niet onbewogen zal blijven als wij tot Hem roepen. Zetten wij ons dan ook op onze plaats en volgens onze mogelijkheden daadwerkelijk in voor datgene wat wij met vertrouwen aan God vragen.
De vraag op het einde van dit evangelie of de mensenzoon bij zijn terugkomst nog geloof zal vinden op aarde, bevat in zich ook de vraag of God mensen zal vinden die zich blijven inzetten om zijn Rijk te vestigen in deze wereld.
Een houding van ‘alles heeft toch geen nut’ helpt de wereld niet verder, maar wel een van ‘God staat aan onze kant’. Dat geloof tegen alle schijn in zal ons ervan weerhouden om onze handen in de schoot te leggen. Een bejaarde man zei mij eens: “Het leven komt nooit zo mooi als men het gedroomd heeft, het zal ook nooit zo erg worden als men het verwacht heeft. Alles gebeurt zoals best is voor diegenen die het treft. Blijf bidden, Hij die daarboven is, zal ons niet verlaten.” Een echte gelovige zal nooit ophouden met bidden…
Bidden is roepen om recht
C-cyclus · Tijd door het jaar · 29e zondag · groen