Natuurlijk, als je echt heel ziek bent, wil je alles wel doen om beter te worden. Als je dan een gerucht hoort dat er een wonderdoener in de buurt is, een kwakzalver desnoods, een paranormaal genezer, een goeroe, dan ga je erop af. Leuren met jezelf in de hoop dat er nog redding is. En je zoekt steun in het groepsverband, want samen sta je sterker. Zo dwalen we rond met onze kwalen, met onze ziekmakende problemen, langs bedevaartsoorden, ombudsmannen, ministeries en instellingen. En soms helpt het, de kwaal wordt genezen. Maar dan?
Als je genezen bent, dan ben je snel de plek van je genezing vergeten. Het leven keert terug naar de orde van de dag. Ooit was er wel die vreemde man, die jou zag staan op grote afstand. Die genezer die door de muur van afschuw en vooroordelen heen keek, maar Hij is weg, Hij is verder gegaan.
En wat gebleven is, is het oude: de priesters, de tempel, je zorgen om het brood, en of we dit jaar nog op vakantie gaan. Er is er maar één die terugkeert op de grond waar hij genezing vond. En dat was, uitgerekend, een Samaritaan, een grensgeval. Eén die je eigenlijk niet serieus kunt nemen. Een buitenkerkelijke jood die het niet zo nauw neemt met de wet. Misschien wist hij de weg niet zo goed naar de priesters. Zou hij daarom maar naar Jezus teruggegaan zijn? Hij was genezen zoals de negen anderen. Maar hij is de enige die ‘beter’ is geworden.
De lezingen van de zondagen in deze tijd van het kerkelijk jaar stellen week na week de vraag: Wat is geloven nou eigenlijk? Wie mee wil gaan in het verhaal van vandaag kan beter de vraag te stellen: Kan mijn leven beter worden? En hoe dan?
Een vraag die zieken zich voortdurend stellen. En voor hen is de vraag vaak pijnlijk actueel. Maar het gaat vandaag niet alleen over onze lichamelijke klachten. Het gaat over het leven van ons allemaal. Over het leven dat op heel veel punten geschonden is en toegetakeld. Over kwalen die ons leven aanvreten. Over ziekmakers in onszelf en om ons heen. Zijn wij te helpen? Zijn wij te genezen? Is dat niet vaak de richting van ons gaan, onze kerkgang op zondagmorgen? In gesloten groepsverband komen we bij elkaar om onze klachten neer te leggen. ‘Jezus, meester, ontferm U over ons!’. In de hoop dat Hij ons op een afstand ziet staan. Het valt me op, telkens als we hier onze parochie-intenties lezen, hoezeer we geneigd zijn vooral onze persoonlijke zorgen te verwoorden: onze onmacht met elkaar om te gaan, onze zorg voor een goede toekomst voor onze kinderen, onze angst voor ernstige ziekten, het welslagen van een examen… Alles wat aan ons leven vreet als een melaatsheid.
En op afstand roepen we al: doe er iets aan, God! Heb medelijden met ons! En Hij, de Enige die alles wel ten goede wil keren, Hij heeft medelijden met ons. Hoe vaak heeft Hij ons leven niet een wending ten goede gegeven? Een uitgestoken hand, een gunstig klimaat, een open doel, genezing? Alles weer in het reine. Nog onderweg werden we genezen.
En vaak eindigt daar het verhaal. Hooguit kijk je nog naar de littekens. Hoe moeilijk het was, en hoe pijnlijk. Maar genoeg geweest. Zand erover. En je vertoont je, gewoontegetrouw, aan priesters, omdat het voorgeschreven is. Je bidt de voorgeschreven gebeden, en je voelt al minder sterk de behoefte van het groepsverband. Terug naar eigen land, eigen zorgen, eigen leven. Behalve die ene, die Naäman uit de eerste lezing. Een buitenlander, een grensgeval. Die nam een vracht grond mee van het land waar hij genezen was. Een souvenir, om die plek nooit te vergeten. Om goed te weten, vanaf dat moment, dat God zelf de grond van zijn bestaan geworden was. Hij was niet alleen genezen. Hij was ook beter geworden.
Wat doe je als je genezen bent? Laat ik het bij een driewerf hoera voor de genezer? Om daarna terug te keren naar af? Je bent pas echt genezen, echt beter geworden, als je daarna ook zelf meegaat met de genezer. Als je in zijn voetspoor grenzen overschrijdt, naar al die plekken waar het leven verziekt wordt. De negen anderen zijn nooit verder gekomen dan het café op de hoek waar ze hun genezing vierden. De ene heeft een keuze gemaakt: van nu af wil ik zelf genezend rondgaan. Ik wil mijn genezing gebruiken om anderen beter te maken. En hij was uitgerekend degene die niet gekweld werd door enige kerkelijke geborneerdheid; misschien wist hij de weg naar de kerk niet eens. Ook dat zou ons aan het denken kunnen zetten. Je kunt zo verschrikkelijk kerkelijk zijn, dat je niet meer ziet (nog niet ziet) dat buiten mensen op je wachten. De buitenstaander wist heel duidelijk waar de grond van zijn bestaan lag: buiten, midden in zijn eigen leven, op alle plekken waar hij tegen de kwalen van mensen oploopt. Sta op en ga mee in mijn voetspoor, zegt de genezer. Dan zal je echt beter worden. Uw geloof heeft u gered. Zo mogen we telkens opnieuw geboren worden, om het leven beter te maken, zeven maal of meer…
28e zondag door het jaar C
C-cyclus · Tijd door het jaar · 28e zondag · groen