De woorden ‘danken’ en ‘denken’ hebben dezelfde stam. Ze zijn familie van elkaar. Danken en denken hebben met elkaar te maken. Wie namelijk nooit denkt, zal ook nooit danken. Omdat we bij heel veel dingen niet meer denken, is er onder ons dikwijls een gebrek aan dankbaarheid. Het bijbelse percentage is ook het onze: één op de tien keer denken we eraan te danken. Negen andere keren vergeten we het gewoon. Als de verwondering weg is, en alles vanzelfsprekend wordt gevonden, verdwijnt de dankbaarheid.
We verwonderen ons nog wel over een koorddanser in het circus. We applaudisseren omdat die man hoog in de nok over een staalkabel kan lopen. Maar gewoon lopen is al een wonder. Dat weet je pas als je in een wagentje moet, of als je je heup hebt gebroken, en weer voetje voor voetje moet leren lopen. Dan ben je dankbaar als je weer zelf naar de wastafel kunt. Maar in ons gewone doen staan we er maar weinig bij stil, en zeggen we, denk ik, te weinig dankjewel voor onze gezondheid.
Mensen die naar een ver en vreemd land waren gereisd, vertelden me over hun indrukwekkende tocht, maar ze zeiden ook dat ze heel blij waren weer thuis te zijn. Zij zei: ‘Mensen die hier zo gemakkelijk zeuren, zouden daar eens moeten gaan kijken. Ze zouden onze lieve Heer op hun blote knieën bedanken dat ze hier geboren zijn’. Of om het dichter bij huis te houden: vorige week heb ik iemand gesproken die elders naar een uitvaart was geweest. Een taperecorder in plaats van een koor, geen bloemen, nauwelijks kaarsen aan, geen acolieten, alleen een pastoor die niet de indruk maakte de overledene te kennen; de viering was even dood als de overledene. We zouden inderdaad al de mensen hier in onze eigen parochie best wat dankbaarder mogen zijn, al die mensen die elke uitvaart door hun trouwe inzet tot een eerbiedig en waardig gelovig afscheid helpen maken.
Eén op de tien van ons zegt: ‘Dank U’, en één op de tien keer zeggen we ‘dank u’ tegen elkaar. En even zo weinig danken we God voor allerlei zomaar gekregen geluk, onverdiende genade.
Wie wel eens in Griekenland op vakantie is geweest, heeft daar meer dan eens gehoord, en misschien zelf gezegd: ‘Eucharisto’; dat wil zeggen: Dankuwel.
Eucharistie vieren betekent eigenlijk ‘Dank U wel’ zeggen tegen God. Gelukkig maakt nog steeds een aantal mensen er wekelijks een uur voor vrij, om God dank te zeggen voor het goede dat Hij ons gaf en geeft.
Terwijl er kerken worden gesloten wegens gebrek aan belangstelling, of afgebroken omdat mensen ze niet meer willen of kunnen bekostigen, verrijzen er terzelfder tijd hier en daar moskeeën, huizen waar God nog wel dank wordt gezegd. En zo kunnen wij, zoals in Jezus dagen, weer een voorbeeld nemen aan de vreemdelingen in ons midden.
Naäman was een Syriër, een vreemdeling dus. Toen hij genezen was, ging hij terug om de man Gods dank te zeggen. Trouwens, die ene van de tien die wel dankjewel kwam zeggen, was ook een vreemdeling, een Samaritaan, zo een op wie gelovige joden neerkeken. Hij kwam God wel dankjewel zeggen omdat God hem had genezen in de ontmoeting met Jezus…\
28e zondag door het jaar C
C-cyclus · Tijd door het jaar · 28e zondag · groen