28e zondag door het jaar C

C-cyclus · Tijd door het jaar · 28e zondag · groen

Door de wondere genezing van Naäman is de grens tussen Syrië en Israël opgeheven. Syrië was van Israël de aartsvijand, lang voor Samaria zich van Jeruzalem afscheurde. Naäman was de legeroverste van zijn koning, de eerste, om in geval van oorlog, Israël te bestrijden. Het was een Israëlitisch slavinnetje van zijn vrouw, dat haar meesteres van Elisa vertelde. De vrouw overtuigde haar man en zo kwam Naäman tenslotte bij de profeet. Het mooiste van het verhaal is niet dat hij van zijn melaatsheid genezen werd, maar dat hij over zijn dankbaarheid heen, met de profeet en met diens land en volk en God in diepe, blijvende gemeenschap trad.

De Syrische generaal kent zijn wereld. Hij weet wat een geschenk is en wil Elisa, de profeet, rijkelijk danken. Maar Elisa, die niet alleen zijn wereld, maar ook Jahwe, zijn God, kent, wil de edele Syriër verder brengen. Hij weigert zijn geschenken en geeft hem zelf een geschenk: “een vracht aarde, zoveel als een koppel muildieren kan dragen”. Elisa weigert de geschenken van Naäman, hij wijst zijn dankbaarheid niet af. Heel zijn leven zal Naäman zijn dank betuigen aan Jahwe, Israëls God, met brand- en slachtoffers op Israëls grond gebracht, in gemeenschap met het volk van Israël.

Een volk aanbad zijn god op eigen bodem, bouwde voor hem op eigen grond een tempel, waar die god bij zijn volk kon leven. Op de eigen grond werd het verbond gesloten, tussen god en volk, op de eigen grond werd de eigen god gedankt en leerden de kinderen bidden, leerde de jeugd Gods wet en bestelden ze hun ouders ter aarde. Als Naäman “een vracht aarde” van Israël meeneemt, neemt hij Israëls’ geloof mee: hun verbond wordt zijn verbond, hun wetten worden zijn wetten, hun tempel wordt zijn tempel, wat zij hun kinderen leren, zal hij de zijne leren en die zullen hem in grond van Israël ter aarde bestellen met hun moeder en haar slavin: blijvend zal de zegen van Jahwe op zijn huis rusten en zullen zijn kinderen met die van Israël verbonden zijn.

Als Jezus de tien melaatsen geneest, nodigt Hij ook uit tot het spel van dank en gave en offer, dat vrede en gemeenschap wil stichten, en grenzen wil afbouwen. “Zij bleven op een grote afstand staan en riepen luidkeels”… als een meute verwilderde honden, die men het dorp niet laat naderen en die van honger blaffen. Het dorp hoort ze alleen als een bedreiging. Jezus geneest ze. Nooit zullen we weten waar het dorp lag waar het wonder plaats vond. Voor de ondankbaren blijft het niemandsland, “grensgebied van Samaria en Galilea”. Jezus geeft de doden aan de levenden terug en alleen de Samaritaan komt Hem hiervoor danken. De Galileeërs, die uit nood met de Samaritaan leefden, trekken zich terug in hun eigen gebied, en stoten de Samaritaan uit hun gemeenschap, stoten zich uit de gemeenschap met Jezus en stoten zich af van God, ook al hebben zijn priesters hun genezing erkend. In hun ondankbaarheid, gaan zij leven, melaatser dan voorheen, weg van de levende gemeenschap met God en met Jezus, de Galileeër, die door zijn levenwekkend wonder de grens tussen Samaria en Galilea ophief, het niemandsland voor iedereen bewoonbaar maakte, land van leven voor allen.

Jezus’ ontgoocheling is groot. Hij geeft al wat Hij kan: tekens van goedheid. Die bereiken net de vrijheid van het hart. Meer kan Hij niet geven. Hij kan tot dankbaarheid niet dwingen en niet tot gemeenschap verplichten.

Beslister dan ooit trekt Hij op naar Jeruzalem, waar men met het geld van zijn Bloed een stuk grond zal kopen, een stuk van Israëls grond. “Ze weten niet wat ze doen”, zal Hij zeggen, want Hij zal het zijn die met wat zijn Bloed opbracht, niet alleen de Bloedakker, maar met de Bloedakker heel Israëls grond loskoopt om hem voor allen bewoonbaar te maken. Het hemelse Jeruzalem zal de hoofdstad zijn, voor Joden en Syriërs en Samaritanen…

Zoeken in Preken Online