Hoe lang moet ik nog roepen, Heer, terwijl Gij maar niet luistert? Waarom laat Gij mij onrecht lijden. Waarom moet ik leven te midden van geweld, verdrukking, twist en tweedracht? Waarom, Jahweh, laat Gij dat allemaal toe?
Zusters en broeders, 2600 jaar geleden al stelde de profeet uit de eerste lezing, de man met de rare naam Habakuk, de vragen die ook wij nog altijd stellen: Waarom, God, laat Gij het allemaal toe? Waarom laat Gij in New York vliegtuigen neerstorten op de mensen? Waarom lijden er wereldwijd honderden miljoenen mensen honger? Waarom grijpt Gij niet in in de burgeroorlog in Soedan, Congo of Burundi? Waarom laat Gij toe dat mensen gemarteld worden, opgesloten, verkracht, vermoord? Waarom doet gij niets tegen het misbruik van kinderen, tegen de vrouwenhandel, tegen het fundamentalisme, tegen het terrorisme? Waarom verhindert Gij niet dat jonge moeders en vaders sterven? Waarom zet Gij daardoor hun kinderen in de kou?
Zusters en broeders, ieder van ons heeft die vragen al gesteld, en we hebben ze misschien ook al anders horen stellen, namelijk: als God bestond, zou Hij dat allemaal niet toelaten. Of: als God toch zo’n goede Vader is, dan zou Hij wel wat beter voor zijn kinderen kunnen zorgen.
Zusters en broeders, het zijn vragen die van heel diep komen, want ze gaan over dingen die ons in ons diepste wezen aangrijpen: leven en dood, geweld en onderdrukking, rechtvaardigheid en onrechtvaardigheid, schandalige rijkdom en onvoorstelbare armoede, met regelmatig televisiebeelden die er niet om liegen. Ik weet niet hoe gij zijt, maar ik kan die beelden echt niet meer zien, die beelden van uitgemergelde moeders, van kinderen met hoofden als doodskopjes, lijfjes als kapotgestampte colablikjes, en beentjes als gebroken lucifers. Ik kan het niet meer zien, ik moet me wegdraaien. En dan gaat het onverbiddelijk door mijn hoofd: God, waarom? God, waar zijt Ge? God, waarom doet Ge er niets aan?
Zusters en broeders, op die vragen zijn er twee antwoorden. Een menselijk en een goddelijk. Eerst het menselijke. En dat is zeer eenvoudig: niet God, wel de mens is verantwoordelijk voor veruit het meeste lijden. Niet God moordt en brandt en plundert en hongert, wel de mens. Niet God heeft de wapens gemaakt waarmee dorpen en steden worden uitgemoord. Niet God boort vliegtuigen in gebouwen, niet God sleept vrouwen uit hun huizen en kinderen in auto’s om ze te misbruiken, niet God plaatst bommen in drukke winkelstraten, niet God jaagt zichzelf of anderen tegen 15O per uur de dood in, niet God pleegt al deze misdrijven, wel de mens. We zouden dus beter ophouden met God verantwoordelijk te stellen voor dingen die we zelf doen. Maar misschien is het wel typisch voor onze soort: dat we het nooit zelf geweest zijn, maar altijd anderen. In dit geval dus God. Hij is de eindverantwoordelijke, dus is het allemaal zijn schuld. Hij zou maar beter aftreden.
Misschien luisteren we toch ook best eens naar het goddelijke antwoord, en dat luidt als volgt: God wil het kwade niet, Hij wil het goede. Blijf maar geloven, zegt Hij tegen Habakuk, Ik breng het wel in orde. Dat is echter het Oude Verbond. In het Nieuwe Verbond daarentegen zegt Jezus: Blijf maar geloven, dan brengt gij het wel in orde, m
27e zondag door het jaar C - 2001
C-cyclus · Tijd door het jaar · 27e zondag · groen