Tot de eerste woordjes, die we hebben Ieren zeggen hoort: ‘Dank je wel.’ Toen we eenmaal ‘papa’ en ‘mama’ konden zeggen en ‘oma’ en ‘opa’ was het volgende ‘dank je wel.’ Als de koekjestrommel voor de dag kwam, als we jarig waren of cadeautjes kregen, werd er steeds gevraagd: ‘En… wat zeg je dan~’ Natuurlijk volgde dan: ‘dank je wel.’
Nu willen we geen kwaad woord zeggen over dankbaarheid. Het is goed, dat mensen elkaar dankbaar zijn voor hun diensten of aanwezigheid en dat ze bovenal God dankbaar zijn voor wat ze meekregen.
Maar toch! Moeten de leerlingen op school de meester bedanken, omdat hij de sommen zo goed uitlegt~ Of moet de meester dankbaar zijn, omdat de leerlingen de sommen maken~ Stel je voor, dat hij tegen de klas gaat zeggen: ‘Fijn dat jullie mij er niet mee laten zitten.’
Natuurlijk is een gevoel van dankbaarheid naar de ander niet verkeerd, maar het is ook andersom. We kunnen dankbaar zijn, omdat we de kans krijgen om goed te zijn voor de ander. Daar wil het evangelie van deze zondag op wijzen. We hebben alleen onze plicht gedaan. We mogen blij zijn met de kansen die we krijgen. Behalve dat we soms zeggen: ‘Bedankt!’, zeggen we ook: ‘Geen dank’, ‘Graag gedaan’, ‘Tot uw dienst’. Dat is dankbaarheid, maar vanuit een andere gezichtshoek. We zijn dan dankbaar, omdat we de mogelijkheid hebben, de kans om een ander iets goeds te doen. We weten best dat er meer reden is om dankbaar te zijn te kunnen helpen, dan geholpen te worden of iets te ontvangen. Eigenlijk zou er verdriet of spijt moeten zijn, omdat we niet goed kunnen zijn voor de ander, omdat we niet verder kunnen helpen, omdat woorden te kort schieten en dat ons de kracht of de middelen ontbreken.
Soms gaan we met God om alsof we alles van Hem moeten afsmeken. En als het ons gelukt is God aan onze kant te krijgen, moeten we Hem uitgebreid onze dankbaarheid tonen. En als het fout loopt, menen we dat het misschien wel aan ons heeft gelegen. We waren wellicht niet dankbaar genoeg om wat we kregen. Zo blijft er van goede, vriendelijke verhoudingen weinig over. Maar als mensen dankbaar kunnen zijn om datgene wat ze mogen geven of doen voor een ander, zou dat dan bij God niet precies hetzelfde zijn? Zou Hij niet staan te wachten om ons van dienst te zijn? Mogen we ons God niet voorstellen, als de Aanwezige, die genadig en barmhartig is ‘om niet’, gewoon ‘gratis’? Zou Hij niet verdrietig zijn als Hij om wat voor reden ook niet helpen kan, ons niet van dienst kan zijn? Zoals wij machteloos bij een ander staan die niet geholpen wil worden, of die we niet kunnen helpen, zo is God voor ons. God wil ieder van ons graag van dienst zijn bij alle wisselvalligheden van het leven. Hij wil ons vooruit wil helpen, waar het maar kan.
Je kunt je nu afvragen: - Als het waar is dat God ongevraagd klaar staat om ons van dienst te zijn -, waarom zullen we dan nog bidden? Hij hoeft immers niet op onze vraag te wachten, maar weet wat we nodig hebben, is ons graag en ongevraagd van dienst. Het gebed is niet zozeer nodig om God te waarschuwen, dat Hij ons helpen moet, maar wij hebben zelf het gebed nodig. Wij moeten door ons gebed open gaan om God met zijn hulp, met zijn zegen, zijn kracht en troost bij ons binnen te laten. Daar hebben we rust voor nodig en tijd. Als we die niet maken, blijft God machteloos, hoe pijnlijk Hij dat ook vindt. Staan we biddenderwijs wel open voor Hem dan zullen we verrast zijn door de wondere manier, waarop Hij hulp biedt.
En: Hij heeft het graag gedaan!