Onlangs zag ik een man die met pensioen ging. Hij kreeg een geschenk van de firma en een oprecht compliment in sierletters geschreven: ‘Omdat je veertig jaar lang onze zaak hebt gediend.’ Het deed me wat. Ik was erdoor geraakt: veertig jaar trouwe dienst. Dat is toch sterk. Je kunt dat natuurlijk ook anders zien. Je kunt zeggen dat het een patroon niet veel kost om na veertig jaar prestaties van zijn knecht eventjes grootmoedig te doen. Je kunt nog méér zeggen: het evangelie bevestigt hier de positie van de baas en prijst de braafheid van de onderdaan. Dan zou het evangelie de gevestigde orde goedkeuren en daarbij vergeten dat deze orde vaak een wanorde is. Dan zou het evangelie steun verlenen aan een hiërarchische ordening van het leven, waarbij de kleine mens maar moet hopen op God die hem ooit zal belonen voor zijn nederigheid. Dat alles staat er evenwel niet te lezen. Ook al heeft men het eeuwenlang zo (verkeerd) gelezen.
Bij Lucas moet je steeds zijn refrein herhalen: allen op naar Jeruzalem! Daar staat welkom geschreven op elke poort, op elke heuvel. Wie zich op deze weg begeeft, spreekt niet langer van hoger en lager, van hoge kerk en lage kerk, van veldheer en voetvolk. Op de weg die naar Jeruzalem leidt, zingt men liever van ‘Wij zijn samen onderweg’. Wie een ander lied zingt, blijft zingen in termen van verticale hiërarchie, van de ene sociale stand tegen de andere. Met klassenstrijd vecht je alleen maar voor superioriteit en macht. Dan is er wel hoger en lager, maar de verdiepingen zijn van elkaar gescheiden door grimmigheid en wantrouwen. En zo kom je onmogelijk tot broederschap.
Eigenlijk zegt het evangelie dat iedere mens op aarde een knecht is en een dienaar van het leven. Ook de meester die werkgever is. Ook de magistraat die recht spreekt. Iedere mens op aarde staat ten dienste van een hoog gedroomde broederschap. Dat is een mooie homilie. Mensen zullen deze predikant zeker loven. Maar of mensen in die predikant ook geloven, is nog maar de vraag. Daarvoor steekt er teveel tegenspraak in de dagelijkse realiteit van het leven. Lucas kan daar voor zijn onderricht maar één ding tegenover plaatsen: de man die zo spreekt, is zelf de grootste knecht geweest. Nooit of nergens bezat Hij de allure van een heerser. Hij is ons aller slaaf geweest. Een voetenwasser. Een propagandist van een horizontale hiërarchie: de grootste dienaar is de grootste heer. Hoe meer de mens broeder wordt, hoe meer hij op de plaats staat die hem toekomt.
Jezus heeft nooit na drie jaar openbare dienst een geschenk ontvangen en ook niet een afscheidsbrief in kalligrafie. Er stond enkel geschreven INRI: Jezus van Nazaret, Koning van de Joden. Hij was een koninklijk man met de allures van een dienstknecht. Alleen zó heeft Hij zijn sociale encycliek geschreven.
Het was zijn Rerum Novarum.