De eisen van het evangelie (2007)

C-cyclus · Tijd door het jaar · 23e zondag · groen

Zelfhaat is een verschrikkelijke ziekte. Er zijn homofielen die zichzelf haten uit afkeer van hun ‘verkeerde’ seksuele identiteit. Zelfhaat leidt bij sommige jonge mensen tot zelfverminking en kan uitlopen op zelfmoord. Om van hun zelfhaat te genezen, moeten mensen geholpen worden om zichzelf te aanvaarden zoals ze zijn. Ze moeten ondervinden dat anderen hen aanvaarden zoals ze zijn en hen liefhebben.
Je schrikt dan geweldig als je Jezus in het evangelie hoort zeggen dat iemand zichzelf moet haten, en ook zijn ouders, zijn vrouw en zijn kinderen, om zijn volgeling te kunnen worden. Commentaren op dit evangelie haasten zich om hier een vertaalprobleem te signaleren. ‘Haten’ is de letterlijke vertaling van een Hebreeuws woord en het Hebreeuws kent geen trappen van vergelijking (veel/meer/meest). We mogen het dus niet letterlijk begrijpen. In nieuwere Nederlandse vertalingen leest men ‘verfoeien’ en in de nieuwste ‘breken met zijn eigen leven’. Maar dit mag dan niet meer ziekelijk klinken, het blijft ongelooflijk straffe taal.

Van de mensen die in grote drommen met Jezus mee wilden gaan, zullen er waarschijnlijk veel naar huis teruggekeerd zijn toen ze hoorden welke buitengewoon strenge voorwaarden hij stelde. Ze hadden zijn waarschuwing gehoord. Denk twee keren na, zoals de man die eerst een begroting opmaakte voor de toren die hij wilde bouwen en de krijgsheer die ten oorlog wilde trekken maar eerst zijn troepen telde.

De radicale bewoordingen waarin de voorwaarden om Jezus te volgen vooral bij Lucas gesteld zijn, moet men wellicht begrijpen als een vermaning aan het adres van de halfslachtige christenen onder de lezers van de evangelist.* Blijkbaar wilde hij al zijn lezers inscherpen dat ze de volle consequenties van een bekering tot het christelijk geloof onder ogen moesten zien. Die beslissing hield in dat ze met hun joodse of Romeinse familie moesten breken. Er kon ook uit volgen dat ze elke sociale zekerheid van eigen bezittingen kwijtspeelden. En het kon ook betekenen dat hun verdere levensweg een kruisweg werd zoals die van Jezus, uitlopend op de dood. Wie christen wilde worden, moest bereid zijn al het overige los te laten, tot en met zijn eigen leven. Geen compromissen!

Maar wie zich tot het christelijk geloof bekeerde en moest breken met alles dat hem dierbaar was, kreeg wel een nieuwe familie. Volgens Lucas (18,29-30) heeft Jezus zelf dat gezegd. Iedereen die omwille van Gouds koninkrijk zijn huis en zijn hele familie heeft achtergelaten, krijgt reeds in deze tijd het veelvoudige terug. De vroegere familiebanden worden opengebroken naar een veel breder verband.

Een voorbeeld van hoe dit kon gebeuren staat in het briefje van Paulus aan Filemon waaruit vandaag wordt gelezen. Poules had een slaaf die weggevlucht was onder zijn hoede genomen, wij zouden zeggen: asiel gegeven, en hem tot het christelijk geloof bekeerd. Misschien omdat hij vreesde last te krijgen met de autoriteiten stuurde hij hem na enige tijd terug naar huis bij zijn heer, maar met een vriendelijk maar dringend verzoek. Straf uw teruggekeerde slaaf niet. U hoeft hem niet vrij te laten, maar behandel hem niet meer als een slaaf. Als christen is hij veel meer dan dat: behandel hem als een geliefde broeder. Als we mogen aannemen dat Filemon aan de vraag van Poules gehoor heeft gegeven, betekende dat een breuk met de bestaande verhoudingen. Een slavenhouder die wel niet tornde aan het heersende sociale en juridische bestel, maar zijn slaven en slavinnen - christen zoals hij - behandelde als broers en zusters, opgenomen in een nieuw familieverband.

Breken met wie je dierbaar zijn, loslaten waaraan je gehecht bent: niemand van ons heeft die prijs moeten betalen om christen te kunnen worden. Veruit de mesten van ons zijn bij manier van spreken als christen geboren en opgegroeid in een milieu dat vanzelfsprekend christelijk was. We hebben daar niet voor gekozen, het is ons in de schoot geworpen. Het heeft ons niets gekost. Maar de tijden zijn veranderd. Zich blijven engageren voor het christelijk geloof in een kerkelijk verband spreekt niet meer vanzelf, het wordt meer en meer een kwestie van een bewuste keuze die de prijs inrekent die eraan vasthangt.

Het lijkt er sterk op dat er nu door velen gekozen wordt voor een ‘minimaal’ christelijk geloof: voor wat hun goed uitkomt en waar ze weinig of geen offers voor moeten brengen. Nu hoeven we zeker niet geneigd zijn aan dit soort minimalistisch, gemakzuchtig christendom toe te geven om met de radicale eisen van het evangelie in onze maag te zitten. We mogen er niets aan afdoen. Maar dit wil niet zeggen dat je pas echt gelovig bent als je aan alle eisen voldoet. Niemand is volmaakt, iedereen blijft altijd onder de maat. Zolang je de spanning uithoudt en erkent dat je tekortschiet maar die eisen niet verdonkeremaant, blijf je echt geloven.**

** Zie o.m. J. Devijver, Zondagsvieringen, C-jaar, Averbode, 2003, p. 319.
** Zie E. Vanden Berghe, Van U is het Woord, Tielt, Lannoo 1999, p. 252.*

Zoeken in Preken Online