In de brief aan de Hebreeën spreekt Paulus over het lijden. Hij bedoelt op de eerste plaats het lijden dat je wordt aangedaan omdat je christen bent, want het christendom roept ook vandaag nog weerstanden op. We hoeven maar te denken aan bisschop Romero of aan dominee Martin Luther King. Van dat lijden beweert Paulus dat het je tot een betere mens maakt. Maar Paulus zal het ons niet kwalijk nemen als wij proberen zijn stelling toe te passen op alle narigheid die ons overkomt.
Op het eerste gezicht lijkt het niet waar te zijn, dat lijden je tot een betere mens maakt. Als je ziek bent, voel je je ellendig. Als je tegenwerking ondervindt, word je kwaad. Als je je werk kwijtraakt, voel je je nutteloos. En eigenlijk moet niemand je dan komen vertellen dat het wel ergens goed voor zal zijn. Zoals men wel eens hoort zeggen wanneer een kind komt te overlijden: ‘God weet waar dat kind voor gespaard is gebleven’. Dat is gewoon onzin. Het was veel beter geweest als dat kind had kunnen leven. Waarschijnlijk zul je ook niet van alle lijden kunnen zeggen dat het dient om je te verbeteren. Maar dikwijls kun je dat wel zeggen, zeker achteraf. Iedereen zal wel kunnen vertellen over heel nare situaties waar men door heen moest, en waarvan men later tot de ontdekking kwam dat het goed is geweest dat men erdoorheen ging. Maar er zijn ook andere situaties denkbaar.
Want wat maken wij, gezonde mensen, ons niet vaak belachelijk tegenover zieke mensen, als wij met een ontembare geldingsdrang anderen opzij duwen en de indruk willen wekken dat het allemaal ons werk is. Dat wordt door die zieke mensen onmiddellijk gerelativeerd. Of als we ons diep gegriefd voelen omdat een ander met onze eer ging strijken. Ook dat wordt door die zieke mens onmiddellijk doorzien. Of als we uitzichtloze ruzies maken over een paar rotcenten, en dan met een stijve kop familievetes laten voortduren omdat we ons bij de erfenis verongelijkt voelen. Veel zieke mensen staan daarboven. Zij zijn door het lijden gevormd, en zij zijn er betere mensen door geworden. Zij zullen ons zeggen: ‘Idioot, denk je nu echt dat dat belangrijk is?’.
Mensen die door het lijden zijn gevormd, hebben heel veel geleerd, en kunnen ons veel leren. Want die mensen zien wat werkelijk belangrijk is.
En werkelijk belangrijk is niet wat je gepresteerd hebt, of hoeveel geld en eer je hebt verdiend, of dat je je gelijk hebt gehaald. Werkelijk belangrijk is dat je anderen nooit in de steek hebt gelaten, en dat je een dankbare en blijde mens bent geweest. En juist die dankbaarheid en die blijheid kun je leren van ziekte. Want ziekte leert je dat alles niet vanzelfsprekend is. Dat je kunt lopen, kunt eten, kunt spreken, kunt douchen. Hoe belangrijk die dingen zijn, kan alleen iemand je vertellen die dit alles niet kan of gekund heeft, die zich door het lijden heeft laten vormen, en die - wanneer hij genezen is - levenslang een dankbare en blije mens is.
Werkelijk belangrijk is dat je een levensecht geloof hebt waarop je kunt steunen wanneer het leven echt moeilijk wordt. Je maakt je als gezonde mens zo belachelijk als je met een stoer gezicht je geloof vaarwel zegt. Een zieke zal je kunnen vertellen wat dat geloof waard is. Het is alleen maar zielig als je dat geloof een trap na geeft. Paulus zei in zijn brief aan de Hebreeën: ‘Het lijden dient om u te verbeteren’. Als je je door het lijden laat vormen, word je een beter mens. Het zal dan wel niet voor alle narigheid opgaan, maar voor veel narigheid gaat het wel op.